Dinsdag 21 januari 2020 om 22:23

Download at: 11-3-2020 15:47:21

$i: Index | $pi: Padded Index | $an: Album Name | $d: Date | $dc: Date Compact
$c: Caption | $fc: Caption (First line) | $fw: Caption (First word)
$t: Tag | $ft: First Tag | $o: Original file name

Preview:


Filter Photos By:

Caption:
Tag:
Comment:

2018-08-15 21:10:15

Tante Hannie
Hannie Lips (Rotterdam, 16 juli 1924 – Laren, 19 november 2012), ook bekend als tante Hannie, was een Nederlands televisieomroepster.
Lips volgde in 1954 Mies Bouwman op als omroepster van de KRO. Zij was de eerste omroepster die kinderprogramma"s aankondigde. Zwaaien werd het handelsmerk van Hannie Lips. Eens per maand op woensdagmiddag zwaaide ze de kinderen met beide handen voor het gezicht ten afscheid. Dat gebeurde onder meer na afloop van het kinderprogramma van de KRO, Dappere Dodo, een marionettenserie van Bert Brugman die zeer succesvol was. Veel kinderen zwaaiden terug.
Op 12 maart 1958 presenteerde zij het derde Eurovisiesongfestival, het eerste dat in Nederland plaatsvond. Daarmee werd de traditie ingezet dat het songfestival wordt georganiseerd in het land dat in het voorafgaande jaar heeft gewonnen. Nederland had in 1957 namelijk gewonnen met het liedje Net als toen van Corry Brokken.

2018-08-15 21:10:15

Laurel en Hardy, of Stan en Ollie zoals ze ook wel worden genoemd, waren een Brits-Amerikaans komisch duo uit de eerste helft van de twintigste eeuw. In het Nederlands hebben ze de bijnaam De dikke en de dunne.
Laurel en Hardy vormden een van de populairste komische duo"s uit de filmgeschiedenis. Beiden hadden al een solocarrière achter de rug voordat zij in 1927 voor het eerst echt gingen samenwerken. Pas als duo werden zij werkelijk beroemd. Samen maakten zij tussen 1927 en 1951 106 korte en lange films.[1]
Stan Laurel stierf op 23 februari 1965; Oliver Hardy op 7 augustus 1957.

2018-08-15 21:10:15

André van Duin werd in 1947 geboren in Rotterdam als Adrianus Marinus Kloot.[4] Zijn vader werkte als magazijnbediende bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. Van Duin zag daar als kleine jongen op personeelsfeesten optredens van onder anderen Johnny Kraaykamp en Rita Corita. Hierop bekwaamde hij zich in het imiteren van bekende Nederlanders. Op de lagere school viel Van Duin niet alleen op vanwege zijn rode haar, maar ook door deze imitaties en zijn gevoel voor humor. Hij werd al snel de ster van elk klassenfeest.
Na de lagere school ging Van Duin naar de ambachtsschool voor een opleiding als machinebankwerker. Zijn grote interesse bleef echter het parodiëren van artiesten, al waren zijn leerkrachten vaak niet blij met de momenten die Van Duin koos voor zijn imitaties.
In september 1962 typte hij een open sollicitatiebrief aan de toenmalige chefs lichte muziek van de verschillende omroepen, die hij tekende met zijn artiestennaam: André van Duin, wellicht omdat hij vreesde met zijn echte achternaam niet serieus te worden genomen.[5] Hij werd afgewezen maar bleef proberen. Intussen vond hij werk als jongste bediende bij een Rotterdams verzekeringskantoor. In 1964 hadden zijn brieven succes. Hij mocht een aantal optredens verzorgen voor het radioprogramma Minjon. Van Duin was toen 16 jaar.
In datzelfde jaar organiseerde de AVRO de talentenjacht Nieuwe Oogst. Van Duin meldde zich meteen aan. Hij doorliep de voorrondes met gemak. Op 24 juli 1964 won hij de finale en kreeg een bokaal en een optreden in de televisieshow van Willy en Willeke Alberti: de Zaterdagavondshow. Hij brak definitief door als Van Duin. Twee weken later, op 8 augustus 1964, vormde zijn bandparodie het voorprogramma van het legendarische optreden van de Rolling Stones in het Kurhaus.[6] Hierop kreeg hij veel aanbiedingen. Van Duin zocht en kreeg daarom managers: Theo Rekkers en Huug Kok oftewel De Spelbrekers. Al snel richtten ze André van Duin Producties op.
In 1965 kwam Van Duins eerste single uit bij Philips: Hé! Hé! (Ik heet André), bekend van zijn optreden bij Willy en Willeke Alberti.
In 1966 werd bij Koninklijk Besluit zijn achternaam officieel veranderd in Kyvon.
In 1969 maakte Van Duin onder regie van Guus Verstraete jr. vijf televisieshows voor de AVRO met de titel Een avondje teevee met André. Hij trad verder op als gast in onder meer de Rudi Carell Show, de Mounties en Oebele. Ook toerde hij door de Nederlandse Antillen en Suriname. Ook stond hij dat jaar voor het eerst professioneel in het theater, als onderdeel van de Snip-en-Snaprevue. Zijn aandeel was de toen al bekende act van gekkebekkentrekker bij lollig aan elkaar gemonteerde uitspraken, die ruim tien minuten duurde.

2018-08-15 21:10:15

Dorus Poesie mauw, poeoesie mauw..1967

Antoon (Tom) Manders (Den Haag, oktober 1921 – Utrecht, 26 februari 1972) was een Nederlandse tekenaar, komiek en cabaretier. In de laatste functie werd hij met name bekend als Dorus.

Hoewel zijn geboorte officieel in de archieven staat als 24 oktober, is hij eigenlijk op 23 oktober geboren. Zijn vader liet hem een dag later inschrijven, omdat hij voor een zondagskind geen vrije dag kreeg.[bron?]
Al jong bleek zijn talent voor tekenen. Hij volgde de ULO, en volgde daarna een driejarige avondcursus Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Manders was onder andere actief als reclameschilder en ontwerper van affiches. Later ontwierp hij ook decors voor toneel en cabaretvoorstellingen. Tot zijn vaste opdrachtgevers behoorden Theater Carré, Lou Bandy, Heintje Davids en Wim Kan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Manders in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland gezonden, waar hij als schilder te werk werd gesteld op een klein vliegveld in de nabijheid van München. Na een half jaar lukte het hem te ontkomen en reisde hij per trein terug naar Nederland.[bron?] Door Wim Kan kwam Manders op het idee zelf cabaret te gaan doen, net als zijn oudere broer Kees.[bron?]
Vanaf 1953 was Manders betrokken bij de inrichting en programmering van Carel Kamlags revuecafé Saint-Germain-des-Prés aan het Rembrandtplein in Amsterdam. Manders trad daar zelf op als het typetje dat zou uitgroeien tot de zwerver Dorus. Toen hij van de VARA de uitnodiging kreeg iets voor televisie te doen, liet hij het café nabouwen in de studio en startte een succesvol televisieprogramma dat enkele jaren te zien zou zijn.
Tussen 1956 en 1962 werkte Manders samen met organist Cor Steyn ("meneer Cor Steyn") voor het programma De Showboat. Samen waren zij verantwoordelijk voor nummers als Twee motten, M"n volkstuintje, De crocus en de hyacint, Als ik wist dat je zou komen, Bij de marine en Figaro.
Het pand aan de Mauritsstraat 65 in Rotterdam, waar tot in 1960 de Chemicaliënhandel v/h E. Schuddebeurs NV was gevestigd, werd in 1967 tot het Cabaret Dorus omgebouwd, dat in 1970 weer moest sluiten. Nu staat er op die plaats een wooncomplex dat sinds 1 november 1985 de naam Tom Mandershof draagt.
Manders raakte in de financiële problemen toen hij probeerde Dorus-films te produceren. In 1967 won hij een Zilveren Roos, en begon een nieuwe show in zijn nieuwe theater. Nog tijdens de bouwperiode lanceerde hij in de zomervakantie een kindermatinee, met daarin o.a. Bij Dorus op schoot. Populair werd de scène uit zomer 1967, op 18 november uitgezonden bij de Vara-tv, met op zijn schoot het tweejarige meisje Corrina Konijnenburg, dat Poessie Mauw eindeloos blijft zingen. Toen in 1970 de Rotterdamse club sloot, stopte ook het programma. In 1971 kwam Dorus nog één maal terug op de televisie tijdens een programma met een verborgen camera, waarbij hij mensen de stuipen op het lijf joeg als wassen beeld in Madame Tussauds. In hetzelfde jaar had hij nog een hit met In de hemel is geen bier.
Begin februari 1972 kreeg Manders een auto-ongeluk. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat hij kanker had. Drie weken later stierf Manders aan een hartaanval. Hij werd gecremeerd in Crematorium Daelwijck in Utrecht.

2018-08-15 21:10:15

De Mounties

De Mounties was een Amsterdams komisch duo, in 1946 opgericht door Chris Houthuizen en Ab Smit, maar in de jaren 70 en 80 bekend geworden in het theater en op televisie in de samenstelling Piet Bambergen en René van Vooren. Het duo bracht volkse humor in het genre van kluchten en revues.
De beginjaren: 1946-1955[bewerken]
Ab Smit en Chris Houthuizen traden in 1946 voor het eerst op als duo van twee komische gitaristen in en rond Amsterdam. Ze maakten daarmee een begin met de opbouw van De Mounties. In 1948 wilde Smit samen met Houthuizen doorgaan als beroepsartiest, maar Houthuizen zag dat niet zitten omdat hij een goede baan had bij een vijlenfabriek, die hij niet wilde opgeven. Smit stapte daarop uit De Mounties en ging verder als beroepsartiest samen met Herman Kortekaas in het muzikaal komische duo The Merry Singers. De plaats van Smit in De Mounties werd opgevuld door Pieter van Bambergen, later beter bekend onder zijn artiestennaam Piet Bambergen. Bambergen speelde wel geen gitaar, maar dat was geen probleem.
Toen in 1950 ook Bambergen door wilde als beroeps en ook dan Houthuizen zijn baan niet wilde opgeven, stapte Houthuizen op zijn beurt uit De Mounties om zich volledig te richten op zijn werk in de vijlenfabriek waar hij inmiddels chef was. De rol van Houthuizen werd overgenomen door Fred Plevier die – net als zijn voorgangers Smit en Houthuizen - een getalenteerd gitarist was. Bambergen gaf zijn beroep als diamantbewerker op en samen met Plevier werkte hij verder als De Mounties. In de jaren die volgden, breidden ze de bekendheid van De Mounties landelijk uit. Het repertoire dat Bambergen en Plevier brachten was sinds 1946 niet gewijzigd, maar dat was ook niet nodig in deze tv-loze beginjaren. Midden jaren vijftig traden ze op in de radioprogramma"s Gein met Lou en Hein van Lou Bandy en Heintje Davids en in de Johnny Jordaan show.
Begin 1956 voltrok zich echter een drama bij De Mounties. Tijdens een plaatopname kreeg Plevier op 25-jarige leeftijd een hartaanval die hij ternauwernood overleefde. De doktoren gaven Plevier het dringende advies om te stoppen met het jachtige artiestenbestaan, waarna Plevier uit de Mounties stapte.
De ontwikkeljaren: 1956-1965[bewerken]
Piet Bambergen was door het noodlot zijn partner kwijtgeraakt en zat met de handen in het haar. Er was net een lucratief contract getekend voor een tournee door België en tevens voor optredens voor Nederlandse en Belgische militairen in Duitsland en Frankrijk. De tijd drong, want het eerste optreden was al binnen een week.
Bambergen wendde zich hierop tot zijn voorganger Smit – die op dat moment nog steeds samenwerkte met Kortekaas - en vroeg hem of hij de plek van Plevier in wilde nemen. Smit was als schrijver van het repertoire zeer bekend met de act van De Mounties en net als Plevier een begaafd gitarist. Na overleg tussen Smit en Kortekaas werd besloten The Merry Singers op te doeken. Smit kon toen verder als Mountie en Kortekaas kon zich wijden aan zijn primaire passie: het circus. Kortekaas ging samen met Gerard van Essen werken bij Circus Renz als het beroemde clownsduo De Kamée’s.
Smit en Bambergen gingen samen repeteren en stonden binnen een week op de planken. Ze werkten een zeer succesvolle tournee af en timmerden verder aan het succes van De Mounties. Delen van het repertoire van The Merry Singers werden geïntegreerd in de act van De Mounties, wat een groot succes bleek te zijn. Talloze optredens in binnen- en buitenland volgden en de ster van De Mounties rees hoger dan ooit. Vanaf 1958 namen Smit en Bambergen op de labels van Decca Records, het Belgische Olympialabel en Telefunken drie platen op met in totaal zes nummers, zoals De Spaarpot, Wat jij vertelt en Het Witte Kasteel.
Begin 1960 ontstond er echter onenigheid tussen Smit en Bambergen over de verdeling van de gage. Bambergen wilde als punchliner meer dan 50% van de gage krijgen, wat Smit – als schrijver van het gehele repertoire – pertinent weigerde. Dit werd een onoverkomelijk conflict en eind juni 1960 stapte Smit uit De Mounties. Wederom zat Piet Bambergen met de handen in het haar, want ook toen lagen er op zeer korte termijn vele lucratieve optredens in het verschiet.
Piet Bambergen wendde zich daarop tot zijn oude partner Plevier, en Plevier liet zich door Bambergen overhalen weer terug te keren in De Mounties. Pleviers gezondheid was inmiddels verbeterd, maar niet optimaal. Toch besloten Bambergen en Plevier de gok te wagen. En met succes.
Hun grote doorbraak kwam op 10 september 1961 toen ze hun eerste televisieoptreden kregen in de Rudi Carrell Show. Hierin traden ze op als twee loodgieters. Door dit optreden waren ze in één klap landelijk bekend. Na hun optreden bleven de Mounties regelmatig terugkeren met komische acts in de Rudi Carrell Show. In 1965 bood Rudi Carrell Bambergen aan om net als hij in Duitsland te komen werken, maar dan zonder Plevier. Bambergen had daarvoor in vier Duitse televisieshows een succesvol optreden gegeven. Omdat naast hun optredens ook een hechte vriendschap was ontstaan tussen Bambergen en Plevier, ging hij niet op het aanbod van Carrell in.
In 1965 zouden de Mounties een eigen televisieshow bij de VARA krijgen, maar op 5 oktober kreeg Plevier tijdens een camerarepetitie een hartaanval. Hij was op dat moment in de rol van inbreker aan het ontsnappen via een luchtballon, maar viel door de hartaanval naar beneden en overleed ter plekke. Een maand na Pleviers dood scoorde het duo nog een klein top 40-hitje met Wie is wie, groot schandaal in onze familie dat kort voor de dood van Plevier was opgenomen. Het nummer was een Nederlandstalige versie van Shawn Elliotts Shame and scandal in the family, dat dat jaar een grote hit was. Het was begin 1966 en wederom stond Bambergen alleen als Mountie.
De succesjaren: 1966-1989[bewerken]
In 1966 vond Bambergen een nieuwe partner in René van Vooren, de zoon van René Sleeswijk. Van Vooren had Plevier al eens vervangen toen Plevier ziek was. Hoewel Bambergen nooit zo"n goede vriendschap opbouwde met Van Vooren als met Plevier, werd het nieuwe duo zeer succesvol. In 1967 maakten de Mounties voor de AVRO de komische televisieserie De man zonder hoofd: een van oorsprong Britse serie die door Van Vooren vertaald werd. Een jaar later maakten ze De Mounties show, een televisieprogramma met sketches en liedjes dat de AVRO tot 1974 zou blijven uitzenden. In diezelfde tijd begonnen ze ook met een succesvolle revue. In 1976 werd De Mounties show overgenomen door de TROS, die het programma tot midden jaren tachtig bleef uitzenden. Een vaste gast in de Mounties Show was Joke Bruijs. In 1984 begonnen de Mounties met een reeks blijspelen, die ook op televisie werden uitgezonden. In deze komische toneelstukken waren ook vaak rollen weggelegd voor Rudi Falkenhagen, Jaap Stobbe, Joop Doderer, Brûni Heinke en Monique Smal. René van Vooren zorgde meestal voor de Nederlandse vertalingen van deze van oorsprong Engelse of Franse toneelstukken. De bekendste kluchten van De Mounties zijn Drie in de pan, Lief zijn voor elkaar, Er is er één jarig en Privé voor twee.
De eindjaren: 1990-1998[bewerken]
Vanaf de jaren negentig werkte Piet Bambergen voornamelijk zonder René Van Vooren. Zo speelde Van Vooren niet mee in de klucht Pappie, hier ben ik, waarin Bambergen een hoofdrol speelde. Verder speelde hij in 1992 een hoofdrol in de comedyserie Tax free en vertolkte hij in 1994 de rol van Doolittle in My Fair Lady. Een paar maanden na de première werd hij echter getroffen door een hersenbloeding en later een maagbloeding. Op 15 juni 1996 overleed hij op 65-jarige leeftijd aan een hartaanval, tijdens een vakantie op Kreta bij zijn dochter Tanya. Dit betekende het definitieve einde van De Mounties.
René van Vooren werkte na die tijd bij Joop van den Ende. Hij overleed op 25 november 1998 in Blaricum aan de gevolgen van kanker.

2018-08-15 21:10:15

Snip en Snap
Snip en Snap was een komisch duo bestaande uit Willy Walden (Snap) en Piet Muijselaar (Snip). Met hun eigen revue trokken ze in de periode van 1937 tot 1977 volle zalen.

De act werd bedacht door Jacques van Tol, die het grotendeels had overgenomen van een act van het duo Lion Solser en Piet Hesse: "Wip en Snip". Walden en Muijselaar voerden hem voor het eerst op in 1937 in een uitzending van het AVRO-radioprogramma De bonte dinsdagavondtrein. Het duo had aanvankelijk geen zin om in vrouwendracht oubollige grapjes uit te wisselen, maar op aandringen van theaterproducent René Sleeswijk wilde men voor een eenmalige radio-uitzending wel een uitzondering maken. Het optreden werd door het publiek zo leuk gevonden dat de AVRO een promotietournee bij Sleeswijk bestelde waarin Snip en Snap als publiekstrekkers moesten fungeren. Na een jaar zette Sleeswijk de tournee los van de AVRO voort onder de titel De Snip & Snap Revue. De eenmalige uitzondering werd daardoor veertig jaar lang voortgezet.
Gerard Walden, ook revue-artiest, typeerde de rol van zijn broer zo: "Een mannetje dat allerlei domme dingen zegt, maar toch goochemer blijkt dan die andere vent". Willy Walden in een interview: "Ik was zelf helemaal niet dol op die jurken. We vonden het eigenlijk allebei vreselijk. Maar ja, het hoorde erbij. De mensen bleven erom vragen. En dan doe je die jurk toch maar weer aan."

2018-08-18 13:06:15

Johnny & Rijk. 1964
Johnny en Rijk was een komisch duo, bestaande uit Johnny Kraaijkamp en Rijk de Gooyer, dat sinds de jaren vijftig samenspeelde in tv-shows, het theater, tv-reclame, speelfilms en een televisieserie.
Ontstaan[bewerken]
Kraaijkamp begon zijn carrière als zanger en werkte in de jaren vijftig als bassist-entertainer toen hij in 1952 werd ontdekt door De Gooyer. De beide heren deelden een voorkeur voor practical jokes en andere ongein. De twee besloten samen te gaan optreden en namen het nummer Twee jongens en een gitaar op. Andere liedjes zouden later nog volgen, waaronder in 1967 De bostella, wat hen in 1968 een gouden plaat opleverde.
Kraaijkamp en De Gooijer maakten naam in het schnabbelcircuit als Johnny en Rijk. Rijk speelde de handige jongen (de aangever), Johnny de schlemiel. Samen met Betsy Smeets voerden ze in 1958 de voorstelling "Slaap kindje, slaap" op. [1]
Na een aantal jaren samen op het toneel stopte het duo in 1960 tijdelijk met de samenwerking. In 1964 kwam het duo weer samen, om voor de AVRO het programma "Johnny en Rijk - Een paar apart", te maken. Het programma met komische sketches, was grotendeels vertaald materiaal, [2] gebaseerd op de teksten van het Engelse komische duo Morecambe en Wise, met Kraaijkamp in de rol van de bijdehante Eric Morecambe en De Gooyer als de aangever Ernie Wise. Later zouden ze samen nog het programma Weekendshow maken. Tussen 1970 en 1972 presenteerden ze op het Duitse ZDF de 14-delige komische televisieserie Spaß durch 2.[3]
In latere jaren zouden Kraaijkamp en de Gooyer nog vaak samen optreden, onder andere in de films Geen paniek en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming en de series De Brekers en Beppie. Voor modeketen C&A deden ze eind jaren 80 samen nog enkele filmpjes voor een reclamecampagne.
Hun laatste optreden als duo was in een nieuwjaarsshow voor tv in 1991.

2018-09-22 11:05:31

Bart Frederikus de Graaff (Haarlem, 16 april 1967 – Leiden, 25 mei 2002) was een Nederlands televisiepresentator en programmamaker, alsmede de oprichter en voorzitter van zijn eigen omroep BNN.

De Graaff werd in Haarlem geboren, maar kort daarna verhuisde hij samen met zijn ouders en zusje naar Hillegom. Op zijn negende kwam hij tijdens het spelen onder een auto. Daarbij verbrijzelde hij een been en liep hij een bacterie op, die zijn nieren aantastte. Door deze nierziekte ontwikkelde hij ook een groeistoornis, waardoor hij nooit groter is geworden dan een kind van twaalf. Na de mavo kwam hij in 1986 op televisie.
Hij was een opvallende persoonlijkheid door zijn uitgelaten en energieke gedrag waarbij hij allerlei kwajongensstreken niet schuwde. Zo gooide hij een keer een baksteen door een ruit van een tankstation om vervolgens zelf de politie te waarschuwen. De Graaff had een zeer hechte relatie met zijn moeder die hem bij zijn ziekte en ook anderszins altijd trouw terzijde stond.
Op 21-jarige leeftijd speelde De Graaff mee in een televisiereclame voor een chocoladekoekje (met de kreet "Zeg maar nee, dan krijg je er twee ... Toevallig!").[1] Naar aanleiding daarvan vroeg Rob de Boer Productions hem een screentest te doen voor een kinderprogramma voor Veronica. In het programma speelde De Graaff dat hij een eigen omroep heeft onder de naam Bart Omroep Organisatie Stichting (kortweg B.O.O.S.). Na zes jaar B.O.O.S. begon hij met een nieuwe programmaserie genaamd BNN ofwel Bart News Network[2], een knipoog naar het wereldwijd bekende CNN.
Twee jaar later richtte hij een publieke omroep op, ook met de naam BNN. De Graaff werd voorzitter. Hij bleef ook programma"s presenteren en bedenken, waarmee hij BNN de stempel van jong, speels, provocerend en choquerend gaf. Hij bleef tot aan zijn dood het boegbeeld van zijn eigen omroep.
De Graaffs nierziekte zorgde ervoor dat hij meer tijd binnen dan buiten het ziekenhuis doorbracht. In 1997 kreeg hij een donornier die hem de twee actiefste jaren uit zijn volwassen leven bezorgde. In 1999, toen de nier werd afgestoten, begon een nieuwe periode van zwakte, een nieuwe operatie, mondkanker en verschillende complicaties. De Graaff bleef zijn werk met enthousiasme doen en maakte in de jaren daarna nog vele programma"s, maar overleed uiteindelijk op 35-jarige leeftijd. Sindsdien gaat zijn omroep BNN door het leven als Bart"s Neverending Network.[3]
Bart de Graaff werd begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Herfstlaan in Heemstede. Op zijn graf is in 2017 een bronzen beeld van De Graaff geplaatst, dat werd gemaakt door Elselien van der Graaf.
Eind 2002 ontving hij postuum een Gouden Beeld in de categorie "Carrière-award".
Na zijn overlijden is de Bart de Graaff Foundation opgericht. De stichting helpt Bikkels, jonge mensen met een levensbepalende lichamelijke beperking, bij het starten van hun eigen onderneming.

2018-09-22 11:05:31

Bob Bouma

Alfred Leonard (Bob) Bouma (Groningen, 30 december 1929 – Baarn, 17 september 2009) was een Nederlands televisiepresentator.
Hij begon zijn carrière als journalist bij het toenmalige Nieuwsblad van het Noorden. Begin jaren zestig maakte hij de overstap naar de KRO-televisie. Daar werd hij vooral bekend als presentator van de filmquiz Voor een briefkaart op de eerste rang. Hij begon dit in 1969 voor het eerst uitgezonden programma altijd met "Lieve dames, beste heren". Ooit noemde hij in dit programma Catherine Deneuve "de mooiste vrouw ter wereld". Begin jaren tachtig verdween het programma van het scherm.
Ook presenteerde Bouma de tv-quiz Cijfers en Letters bij de KRO. In het tv-programma Hints, dat in de jaren tachtig door Frank Kramer werd gepresenteerd, was hij samen met Marijke Merckens een van de teamleiders.
In 2001 was hij nog te zien in het jubileumprogramma ter gelegenheid van vijftig jaar televisie in Nederland. Vijf jaar later was hij ook van de partij in de TV Comeback-aflevering over Kick Stokhuyzen van Omroep MAX.
Bob Bouma was een zoon van Siebe Jan Bouma (1899-1959), stadsarchitect van Groningen en de stedenbouwkundig ontwerper van Madurodam, en een broer van actrice Maya Bouma. Hij overleed op 79-jarige leeftijd.

2018-09-22 11:05:31

Annelies Marie (Anne) Frank (Frankfurt am Main, 12 juni 1929 – Bergen-Belsen, (waarschijnlijk) februari 1945 was een uit Duitsland afkomstig Joods meisje dat bekend is geworden door het dagboek dat ze schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze ondergedoken zat in Amsterdam. Zij stierf aan uitputting en/of vlektyfus in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Haar dagboek is postuum gepubliceerd en een van de meest gelezen boeken ter wereld. Anne Frank is opgenomen in de Canon van Nederland als een van de vijftig thema"s van de Nederlandse geschiedenis.
n Duitsland naar Amsterdam
Annes vader Otto verhuisde in juli 1933 van het Duitse Frankfurt am Main, waar Anne was geboren, naar Amsterdam om aan vervolging door de nazi"s te ontkomen. Annes moeder Edith Frank, haar oudere zus Margot en Anne zelf volgden begin 1934. Het gezin ging wonen aan het Merwedeplein, in een Amsterdamse nieuwbouwwijk. Margot en Anne gingen naar het Joods Lyceum toen het voor Joden verboden was om naar niet-Joodse scholen te gaan.
Anne was net dertien jaar oud toen ze in juli 1942 onderdook in een achterhuis achter het bedrijf Opekta van haar vader Otto Frank aan de Prinsengracht 263. De deur tussen voorhuis en achterhuis zat verstopt achter een boekenkast. In het voorhuis en in het magazijn werkte personeel, waarvan enkelen op de hoogte waren van de onderduikers.
Anne Frank en haar familie verloren in 1941 hun Duitse nationaliteit vanwege een Duitse wet. De familie werd op dat moment staatloos. Door haar overlijden kon ze de Duitse nationaliteit na de oorlog niet meer terugkrijgen. De Nederlandse nationaliteit heeft ze nooit gekregen daar die alleen aan levende personen wordt toegekend. Haar vader weigerde na de oorlog de Duitse nationaliteit en werd in 1949 Nederlander.
Wonen in het achterhuis
Anne Frank woonde met haar ouders en zus in het achterhuis van 6 juli 1942 tot 4 augustus 1944. Daar zaten in totaal acht mensen ondergedoken: de familie Frank, Hermann, Auguste en hun zoon Peter van Pels (die model stonden voor de familie Van Daan in het dagboek) en naderhand ook Fritz Pfeffer, een Joodse tandarts (die model stond voor het dagboekpersonage Dussel).
In deze jaren hield Anne een dagboek bij, waarin ze onder andere schreef over de angst van het hoofdpersonage "Anne" tijdens het onderduiken, haar ontluikende gevoelens voor Peter, de ruzies met haar ouders en haar ambities om schrijver te worden. Het enige stukje natuur dat het hoofdpersonage in het boek kon zien vanaf de zolderkamer was de top van een kastanjeboom. Decennia later zou deze boom de Anne Frankboom genoemd worden. Anne schreef een aantal schriften vol. Na een oproep op Radio Oranje in Londen om dagboeken te verzamelen die na de oorlog konden worden gepubliceerd, herschreef ze een groot gedeelte. In tien weken schreef ze 324 vellen vol, maar ze kon het boek niet meer voltooien.
Het Achterhuis hoort tot de Nederlandse literatuur en is een bewerking van de werkelijkheid. Zo komen in het boek gebeurtenissen voor die de schrijfster niet zelf kan hebben meegemaakt, zoals razzia"s op de Prinsengracht.

Ontdekking

Na meer dan twee jaar werden de onderduikers ontdekt. Ze werden op 4 augustus 1944 door de Grüne Polizei en Nederlandse politieagenten gearresteerd. Lange tijd werd gedacht dat de onderduikers verraden waren, al was niet bekend door wie. In 2016 publiceerde de Anne Frank Stichting de resultaten van een nieuw onderzoek, waaruit blijkt dat de onderduikers misschien bij toeval werden ontdekt.
Het dagboek werd later gevonden door twee personeelsleden in het voorhuis die tot de helpers van de onderduikers behoorden: Miep Gies en Bep Voskuijl (die model stond voor Elly Vossen in het dagboek).
Nadat zij waren gearresteerd werden de onderduikers en twee andere helpers, Victor Kugler en Johannes Kleiman, naar het hoofdkwartier van de Gestapo in Amsterdam-Zuid gereden. Na enige tijd in een kamer met andere gevangenen te hebben gezeten, werden Kugler en Kleiman naar een andere cel gebracht. Het was de laatste keer dat de onderduikers hun vrienden zagen.

Deportatie

De volgende dag werden de onderduikers naar de gevangenis aan het Kleine-Gartmanplantsoen gebracht, waar zij twee dagen verbleven. Op 8 augustus 1944 werden ze naar het Centraal Station van Amsterdam gebracht en in een trein opgesloten. "s Middags kwam de trein op zijn bestemming aan in kamp Westerbork.
Omdat ze zich niet vrijwillig voor "tewerkstelling in Duitsland" (in werkelijkheid: voor massavernietiging) hadden gemeld maar waren ondergedoken werden ze in de strafbarak gezet. Gevangenen in de strafbarak kregen minder eten en moesten harder werken dan andere gevangenen. Hun werk bestond uit de demontage van afgedankte batterijen in de werkbarakken.
Zondagochtend 3 september 1944 werden ongeveer duizend mensen per trein naar het oosten gebracht. Een selectieleider kwam de avond tevoren naar de strafbarak, waar hij de namen op zijn lijst voorlas. Ook de onderduikers uit het achterhuis hoorden daarbij. Het was de laatste trein die vanuit Westerbork naar Auschwitz zou vertrekken.
Op 5 september arriveerde de trein in het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. De acht onderduikers doorstonden de beruchte selectie voor de gaskamers. Vervolgens werden de mannen van de vrouwen gescheiden. Otto Frank, Hermann van Pels, Peter van Pels en Fritz Pfeffer werden naar het nabijgelegen kamp Auschwitz I weggevoerd. Anne, Margot, moeder Edith en Auguste van Pels bleven achter in het vrouwenkamp van Birkenau. Na enige tijd kreeg Anne schurft. Ze werd in het zogenaamde Krätzeblock (schurftblok) ondergebracht dat door een hoge muur gescheiden was van de rest van het kamp. Margot ging met haar mee.

Dood

Op 28 oktober 1944 vertrok een transport met 1308 vrouwen uit Birkenau naar het concentratiekamp Bergen-Belsen. Waarschijnlijk maakten ook Anne en Margot daar onderdeel van uit. Edith bleef achter en stierf op 6 januari 1945. In februari of maart 1945 overleed Margot. Enkele dagen later overleed ook Anne, waarschijnlijk aan de gevolgen van vlektyfus. In die periode lieten naar schatting 17.000 gevangenen het leven in Bergen-Belsen. Van een kamp-administratie was toen geen sprake meer, zodat de exacte overlijdensdata van Anne en Margot niet meer te achterhalen zijn. Het Rode Kruis nam destijds aan dat het "ergens tussen 1 en 31 maart" geweest moest zijn. De officiële overlijdensakte vermeldt 31 maart 1945 als overlijdensdatum. Later onderzoek wees uit dat een sterfdatum in februari waarschijnlijker is.[1]

Werk

Anne Frank schreef haar dagboek in de vorm van brieven aan een fictieve vriendin Kitty. Ze schreef: "Ik zal hoop ik aan jou alles kunnen toevertrouwen, zoals ik het nog aan niemand gekund heb, en ik hoop dat je een grote steun voor me zult zijn."
Nadat de schrijfster en haar familie verraden waren en gedeporteerd, heeft helpster Miep Gies de dagboekpapieren bewaard. Alleen Annes vader Otto overleefde het vernietigingskamp. Gies gaf het dagboek na de oorlog aan de vader van de schrijfster. Otto Frank redigeerde de tekst en/of liet dat door anderen doen, en publiceerde het boek in 1947 onder de titel Het Achterhuis. Het is sindsdien een van de meest gelezen boeken ter wereld geworden.

2018-10-20 17:23:46

Anton Adriaan (Ad) Mussert

(Werkendam, 11 mei 1894 – Den Haag, 7 mei 1946) was ingenieur en de oprichter en leider van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (NSB) in de jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, die tijdens de oorlog collaboreerde met de nazi"s. De bezetters, de NSB en hun sympathisanten presenteerden hem van 1942 tot mei 1945 als de leider van Nederland. Na de bevrijding werd hij schuldig bevonden aan hoogverraad en ter dood veroordeeld. Op 7 mei 1946 werd hij geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte.

Jeugd- en studiejaren, privéleven

Anton Mussert werd geboren als het vierde kind van de hoofdonderwijzer van de openbare lagere school in Werkendam, een dorp in het land van Heusden en Altena - het waterrijke gebied tussen de provincies Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. Daar werd hij op 24 juni 1894 gereformeerd gedoopt. Hij groeide op in een gezin en een omgeving waarin gezag, of dat nu van God, de landsregering of de vader des huizes af­komstig was, als het centrale element in het leven werd beschouwd. Deze getrouwheid aan het gezag, gesymboliseerd door het huis van Oranje, werd in huize Mussert gekoppeld aan die andere traditioneel-­Hollandse deugden, namelijk spaarzaamheid, ijver en fatsoen. Na de lagere school bezocht Anton Mussert (hij werd in de familiekring "Adje" genoemd) de Rijks-HBS in Gorinchem, waar hij in 1912 het einddiploma behaalde. Evenals zijn oudere broer Jo Mussert wilde hij beroepsofficier worden, niet zoals deze bij de land­macht, maar meer in de vaderlandse traditie, bij de marine. Hij werd echter afgekeurd vanwege een oogdefect (niet, zoals wel gedacht wordt, vanwege zijn geringe lengte). Toen besloot hij weg- en waterbouwkunde te gaan studeren aan de Technische Hogeschool te Delft. Begin januari 1913 overleed zijn vader. Mussert vereerde hem en raakte door zijn dood in een diepe depressie.


Schoolrapport (HBS, 4e klas, 1910-1911) van Anton Mussert.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich als vrijwil­liger, maar verder dan tot korporaal bij de vesting-artillerie zou hij het niet brengen. Een ernstige nierziekte was er de oorzaak van dat hij voortijdig werd afgekeurd. Thuis werd hij verpleegd door een zuster van zijn moeder, Maria. De 38-jarige Maria ("Rie") Witlam (1876-1951) en de 18 jaar jongere Anton vatten een diepe genegenheid voor elkaar op en traden ondanks allerlei bezwaren - vooral Antons moeder had moeite met de gedachte aan een zuster annex schoondochter en een zoon annex zwager - in 1917 met elkaar in het huwelijk in het Gelderse Rheden. Hij kreeg hiervoor dispensatie van de koningin. In 1915 hervatte hij zijn studie aan de Technische Hogeschool in Delft. In 1918 slaagde hij cum laude voor het examen civiel ingenieur.
Met name gedurende de bezettingstijd werd met zijn huwelijk de spot gedreven ("Wie het goede ras wil houwen, moet met zijn tante trouwen"). Mussert had daarbij ook verschillende affaires, waarvan die met zijn achternichtje Marietje Mijnlieff de meest bekende was. Tegen die tijd was zijn tante tegen de 70 en genoot hij volop belangstelling van jongere vrouwen uit de beweging. Mussert overwoog zelfs te scheiden. Van Geelkerken, Rost van Tonningen en zelfs de Duitsers hadden hier kritiek op. Hoewel het huwelijk met zijn tante als tegennatuurlijk werd beschouwd, werd het schandaal van een scheiding erger geacht en vond iedereen het maar beter als Mussert bij zijn tante bleef.

Ingenieur

Via een baan bij Rijkswaterstaat kwam hij in 1920 te werken bij de Provinciale Waterstaat van Utrecht. Hij was hier ingenieur en later hoofdingenieur, toen hij door intriges zijn voorganger opvolgde. Mussert regelde later zelf zijn beeldvorming als bekwame ingenieur door uitgave van het boek Mussert als ingenieur (1944) door ir. J. Homan van der Heide bij de NSB-uitgeverij Nenasu. Verscheidene van zijn ontwerpen zijn uitgevoerd en functioneren nog steeds, zoals de Mussertpalen in de provincie Utrecht die de grenzen tussen provinciale grond en particulier eigendom markeren. Hij ontwierp bruggen en droeg bij aan de afwatering van de Gelderse Vallei en de totstandkoming van het Amsterdam-Rijnkanaal, waar hij voorstelde schutsluizen weg te laten. Een aantal keren diende hij een nieuw plan in, zonder erbij te zeggen dat het niet origineel was, bijvoorbeeld voor het weglaten van een kanaal tussen de toekomstige Markerwaard en Flevopolder (artikel in De Ingenieur, 1921), een getijdencentrale in de Westerschelde (1923) en een voorstel voor autowegen (boekje Vrij baan voor de toekomst..., 1931).
Mussert werd vaak omschreven als een eigengereide man die niet kon samenwerken.[4]

Politieke bewustwording

Mussert was aanvankelijk lid van de Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond. In 1925 sloten Nederland en België een overeenkomst die erop neerkwam dat de haven van Antwerpen via een kanaal werd verbonden met de Rijn en zo met het Duitse achterland. Een grote klap voor met name Rotterdam, dat zijn concurrentiepositie ernstig bedreigd zag. Mussert, de waterstaatman, kon niet aanvaarden dat het vaderland de eigen belangen zo slecht behartigde en begon met een aantal anderen een buiten-parlementaire actie. Hij richtte het Nationaal Comité op en werd er zelf secretaris van. Met een mengeling van waterstaatkundige, financiële en politieke argumenten slaagde het comité erin voldoende verzet tegen het ver­drag te organiseren om het, nadat het in de Tweede Kamer was aangeno­men, door de Eerste Kamer te laten verwerpen. De minister van Buiten­landse Zaken, jonkheer mr. dr. H.A. van Karnebeek, trad af. Mussert werd lid van de Nationale Unie van professor Carel Gerretson, een ultrarechtse groepering.
Mogelijk dat het succes van deze actie van het Nationaal Comité Mussert ertoe heeft gebracht te denken dat hij ook als politiek leider van een partij voor nationaal reveil een goed figuur zou slaan. Interessant is dat hij in het comité samenwerkte met onder anderen Cornelis van Geelkerken, met wie hij later de NSB zou oprichten, en mr. J. Zaaijer, die in 1946 de doodstraf tegen hem zou eisen. In hetzelfde jaar - 1927 - dat het Belgisch Verdrag werd verworpen, werd Mussert benoemd tot hoofdingenieur bij de Provinciale Water­staat. Daarmee had zijn kortstondige carrière in de landelijke politiek ten einde kunnen zijn. Hij verklaarde zelf tenminste:
Ik dacht er niet meer aan mij in de politiek te begeven en stortte mij met inspanning van al mijn krachten op de zee van werk welke mij wachtte.
Desondanks liet de gedachte aan een nationale opwekkingsbeweging hem niet helemaal los; steeds meer was het hem duidelijk geworden dat het vaderland in grote nood verkeerde, maar dat het klimaat van defaitisme en uitzichtloosheid door de zittende politieke partijen niet door­broken kon worden. Ze maakten immers zelf deel uit van die apathie. Mussert was ervan overtuigd dat door het falen van de democratie het land onherroepelijk afgleed naar het communisme. Dat was na 24 okto­ber 1929, het begin van de crisis op de effectenbeurs van New York, geen originele visie, maar min of meer gemeengoed bij - vooral - de kleine burgerij, waartoe Mussert qua afkomst en aanleg behoorde. In zijn "Verantwoording", geschreven in 1945 na zijn arrestatie, verklaarde hij:
Ons volk moest weer leren nationaal te zijn. Zoiets als het Belgisch Verdrag zag ik als gebrek aan nationaal zelfrespect. Sinds 1918 was dit systematisch ondermijnd op elk gebied. De nationale geest moest worden opgebouwd weer van onderaf aan. Een nationaal réveil was noodzakelijk. Daartoe is de NSB opgericht.

Oprichting van de NSB

Musserts lidmaatschapskaart (1934) van de NSB
In 1931 was Mussert samen met Cornelis van Geelkerken oprichter van de NSB. Mussert wees aanvankelijk de Duitse rassenleer en het antisemitisme als on-Nederlands krachtig van de hand. Met de komst van Meinoud Rost van Tonningen werd de partij radicaler, volkser en antisemitischer. De NSB haalde halverwege de jaren 30 maximaal 8% van de stemmen bij de verkiezingen.

Guyanaplan

Als oplossing voor de Joodse vluchtelingencrisis, die ontstaan was door de antisemitische politiek van Adolf Hitler, stelde Mussert in 1938 voor van de drie Guiaanse kolonies (Brits- en Frans-Guiana en Suriname) om te vormen tot een "Joodsch Nationaal Tehuis" waar de Joden heen getransporteerd konden worden. Als compensatie voor het afstaan van Suriname zou Nederland een deel van Portugees Mozambique ontvangen. Het plan werd besproken in de Tweede Kamer, maar afgekeurd.

De Tweede Wereldoorlog

Toen de oorlog uitbrak dook Mussert, die niet betrokken was bij de Duitse inval, onder. Hij beroemde zich erop zelf de eerste onderduiker in de oorlog te zijn geweest. Na de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten, kwam Mussert tevoorschijn en wierp zich op als vertegenwoordiger van het Nederlandse volk. Mussert maakte zich sterk voor de oprichting van een Groot Nederland binnen het Duitse Rijk, waarin Nederland zou worden samengevoegd met Vlaanderen, Frans-Vlaanderen en later ook met Wallonië. De Duitse bezetters namen dit plan echter niet serieus. Ook Mussert zelf werd door de Duitsers niet echt serieus genomen. Wel mocht Mussert in 1941 persoonlijk de eed van trouw aan Adolf Hitler zweren. Voor het Nederlandse volk en de gewone partijgenoten werd dit geheim gehouden.
Tijdens de oorlog verrijkte Mussert zich bijzonder. Door afpersing van joodse bedrijven en toeëigening van joods onroerend goed wist hij een vermogen van circa 900.000 gulden (wat omgerekend naar de huidige koopkracht overeenkomt met een vermogen van ongeveer tien miljoen euro) bij elkaar te sprokkelen.
In 1942 werd Mussert door de Duitse bezetters erkend als leider van het Nederlandse volk. Mussert was tijdens de oorlog een tegenstander van het opgaan van Nederland in een "Groot-Duits Rijk" of een "Groot-Germaans Rijk" en hij voerde hierover een felle strijd met Rost van Tonningen. Anton Mussert was een zwakke leider in een weinig overtuigende nationaalsocialistische partij die nog door een groot deel van de Nederlanders werd geminacht. Bij de Duitse bezetter had Mussert weinig krediet. Hitler en de SS zagen niets in deze in hun ogen onbeduidende politicus. Musserts pogingen om zich als een imponerende leider à la Mussolini te presenteren deden geforceerd aan zodat hij zelfs in eigen kring belachelijk werd gemaakt. Aan het einde van de oorlog durfde Mussert zelfs zijn reispapieren niet meer door de Duitse bezetter te laten verlengen; hij was bang dat dat zou worden geweigerd. Mussert bleef tot het einde toe trouw aan Hitler. Toen op 1 mei 1945 het bericht kwam dat Hitler op 30 april 1945 gestorven was, prees Mussert in een proclamatie Hitler nog.

Plan-Frederiks

In 1942 stelde de Nederlandse secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, K.J. Frederiks, een plan op om een aantal Joden dat volgens hem van maatschappelijke waarde was (bijvoorbeeld kunstenaars en oorlogsveteranen uit de Eerste Wereldoorlog) veilig te stellen in een drietal huizen in Gelderland. Deze Joden zouden op die manier niet naar vernietigingskampen hoeven te worden gestuurd. Mussert had zelf een aantal Joodse vrienden en zijn partij had voor de oorlog enkele Joodse leden gehad, dus drukte Anton Mussert er door dat deze Joden in Villa Bouchina te Doetinchem geplaatst werden. Hij stelde hierop een lijstje samen met in totaal 64 Joden, die de kans kregen om door de bezetter "beschermd" te worden, maar omdat deelname vrijwillig was, belandden er uiteindelijk slechts 9 personen in Villa Bouchina. In april 1943 werden deze zogenaamde "Mussert-Joden" alsnog gedeporteerd naar het concentratiekamp Theresienstadt.

Arrestatie, veroordeling en terechtstelling


Anton Mussert, gevangen in Scheveningen (1945)
Een dag na de capitulatie van de Duitse troepen, werd Anton Mussert op 7 mei 1945 op zijn kantoor in het voormalige en door de NSB in gebruik genomen Kabinet der Koningin aan de Vijverberg in "s-Gravenhage gearresteerd. Mussert heeft niet geprobeerd om te vluchten of onder te duiken.
Vanuit de gevangenis schreef Mussert op 20 november 1945 een bewaard gebleven brief aan minister-president Schermerhorn, waarin hij verklaarde een geheime uitvinding op het gebied van de scheepvaart te hebben gedaan ("de vierde revolutie in de scheepvaart", beter dan de atoombom, mogelijk een enorme onderzeeër). Mussert zou deze uitvinding voor de Duitsers geheim hebben gehouden. Hij vroeg Schermerhorn om hem in contact te brengen met de Amerikaanse president Truman om zijn uitvinding, die van groot militair belang was, uit te leggen. Schermerhorn gaf hier geen gevolg aan. Mussert leerde Engels en hoopte naar de Verenigde Staten te mogen om aan zijn schip te werken.
Na een proces op 27 en 28 november 1945 werd hij op 12 december 1945 door het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag ter dood veroordeeld wegens "het bevorderen dat een aanslag wordt gepleegd om het Rijk onder vreemde heerschappij te brengen, plannen voorhanden te hebben ter voorbereiding van een aanslag op de grondwettige regering en hulpverlening aan de vijand."
Hoewel Mussert direct na het einde van de Tweede Wereldoorlog door velen werd gezien als de "landverrader bij uitstek" is de beschuldiging dat hij Nederland onder een vreemde (Duitse) heerschappij wilde brengen omstreden en ook kennelijk onjuist. Anders dan de op de SS georiënteerde vleugel van de NSB waartoe Blokzijl en Rost van Tonningen behoorden, was Mussert juist nationalistisch gezind. Een fascistisch Nederland zou in zijn ogen als onafhankelijke staat in het door Duitsland gedomineerde Europa kunnen voortbestaan. Anton Mussert heeft door zijn verbond met Adolf Hitler wel hulp aan de vijand geboden en verraad gepleegd aan de grondwettige regering.
Het doodvonnis werd op 20 maart 1946 door de Bijzondere Raad van Cassatie bevestigd. Op 7 mei 1946, precies een jaar na zijn arrestatie, werd Mussert op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd. Zijn laatste woorden zijn staatsgeheim en zullen pas in 2021, vijfenzeventig jaar later, vrijgegeven worden.

Epiloog

In de nacht van zaterdag 16 op zondag 17 juni 1956 werd door leden van de Vlaamse Militanten Orde gepoogd Musserts stoffelijk overschot uit zijn ongemarkeerde graf onder een pad op de algemene begraafplaats van Den Haag te verwijderen. Nadat aanvankelijk de autoriteiten hadden bevestigd dat Musserts resten waren weggenomen, kwamen zij na een week met een ander verhaal. De onbekende daders zouden zich vergist hebben en de verkeerde resten hebben opgegraven. Op 23 oktober 1956 kreeg de adjunct-directeur van de begraafplaats opdracht om de stoffelijke resten van Mussert te begraven in een op de begraafplaats aanwezig algemeen knekelgraf, en "deze resten met andere resten te mengen en wel zodanig dat herkenning uitgesloten moet worden geacht." Zo geschiedde.
Sinds 1956 is er enkele malen beweerd dat Musserts gebeente van de Haagse begraafplaats zou zijn ontvreemd en elders zou zijn ondergebracht. Deze voorstelling van zaken wordt niet ondersteund door de officiële weergave van de feiten.

2018-10-20 20:08:14

Wim Kok R.I.P.

Willem (Wim) Kok (Bergambacht, 29 september 1938 – Amsterdam, 20 oktober 2018) was een Nederlands politicus voor de Partij van de Arbeid (PvdA) en vakbondsbestuurder. Van 1994 tot 2002 was hij minister-president van Nederland.
Na een opleiding bedrijfskunde aan Nyenrode en een kortstondige carrière bij een handelskantoor trad Kok in 1961 aan bij Bouwbond NVV. In de daaropvolgende jaren klom hij op tot voorzitter van de vakcentrale NVV en diens opvolger, de FNV. Als FNV-voorzitter, een functie die hij van 1976 tot 1985 vervulde, was Kok lid van de Sociaal-Economische Raad en groeide hij uit tot een uitgesproken gezicht van de vakbeweging. Na de Tweede Kamerverkiezingen 1986 trad hij toe tot het parlement voor de PvdA, waar hij al snel Joop den Uyl opvolgde als fractieleider. Van 1989 tot 1994 was hij minister van Financiën en vicepremier in het kabinet-Lubbers III, een coalitie van CDA en PvdA.
Bij de Tweede Kamerverkiezingen 1994 werd de PvdA onder Kok, ondanks fors zetelverlies, de grootste partij. Kok gaf vervolgens acht jaar leiding aan de zogenoemde "paarse" kabinetten, de eerste in vele decennia waarin de christendemocraten niet meeregeerden. In plaats daarvan werkte de PvdA tijdens Kok I en Kok II samen met de liberale partijen VVD en D66. Er werd op grote schaal hervormd in de economie, door vernieuwingen op de arbeidsmarkt en door privatisering en liberalisering, en op sociaal gebied, onder meer door de legalisering van het homohuwelijk en euthanasie. Het beleid onder Kok, die in 1995 had gepleit voor "het afschudden van de ideologische veren" van zijn eigen partij, paste in de traditie van de derde weg die tegelijkertijd elders door Tony Blair (in het Verenigd Koninkrijk) en Bill Clinton (in de Verenige Staten) werd aangehangen.
Na zijn tweede kabinet, dat in 2002 vlak voor de eindstreep viel vanwege de kabinetscrisis over Srebrenica, trok Kok zich terug uit de politiek. Hij nam sindsdien commissariaten aan bij onder andere Shell, KLM, ING en de Internationale Crisisgroep. Kok was van 2009 tot en met 2013 president van de Club van Madrid, een organisatie bestaande uit voormalige staatshoofden en regeringsleiders, om wereldwijd de democratie te bevorderen. Wim Kok overleed op 20 oktober 2018 in zijn woonplaats Amsterdam op tachtigjarige leeftijd in aanwezigheid van zijn vrouw Rita, kinderen en kleinkinderen. Hij stierf in het ziekenhuis aan de gevolgen van een hartkwaal.

Wim Kok werd geboren in Bergambacht. Hij behaalde de diploma"s mulo-B en hbs-B aan de Rijks-hbs in Gouda, de voorloper van de Goudse Scholengemeenschap Leo Vroman, en studeerde vervolgens aan het Nederlands Opleidingsinstituut voor het buitenland Nyenrode bedrijfskunde, tot juli 1958. Na zijn militaire dienst was hij van 1959 tot 1961 werkzaam als commercieel medewerker op handelskantoor Sembodja Malaja.
Wim Kok begon zijn publieke loopbaan in 1961 als vakbondsman bij de Bouwbond NVV, waarbij hij regelmatig als fanatiek persoon op de televisie verscheen. Van 1969 tot 1976 bekleedde hij de functies secretaris, vicevoorzitter en voorzitter van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) en van 1 januari 1976 tot en met 11 september 1985 voorzitter van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). In die tijd was hij vicevoorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER) en werknemersvoorzitter van de Stichting van de Arbeid.
In 1986 werd Kok gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Als nummer 2 op de lijst van de PvdA (achter Joop den Uyl) haalde hij 570.000 voorkeurstemmen. Toen Den Uyl in juli 1986 het fractievoorzitterschap neerlegde, werd Wim Kok fractievoorzitter en oppositieleider tegen het kabinet-Lubbers II.
In 1989 werd hij gekozen tot vicevoorzitter van de Socialistische Internationale.

Van 1989 tot 1994 was hij minister van Financiën in het kabinet-Lubbers III en tevens vicepremier. Kok, wiens werkstijl als bewindspersoon vaak als sober wordt omschreven, voerde tijdens dit ministerschap op financiën een stringent ombuigingsbeleid. Hiermee zette hij het beleid van zijn voorgangers voort, dat gericht was op terugdringing van het financieringstekort en stabilisering van de collectieve lastendruk.
In 1990 had Kok een groot aandeel bij het opstellen van de ombuigingsoperatie ("de Tussenbalans"), waarbij voor een bedrag van 17 miljard gulden aan extra ombuigingen werd afgesproken. De bezuinigingen werden bereikt door vermindering van overheidssubsidies, een huurverhoging van 5,5%, tariefsverhogingen in het openbaar vervoer, verhoging van accijnzen en motorrijtuigenbelasting ("kwartje van Kok") en door een grote efficiency-operatie. Beperking van het ziekteverzuim moest 1 miljard gulden opleveren. Ook in de gezondheidszorg, bij defensie en in de welzijnssector werd bezuinigd. Een voorgenomen verlaging van de btw ging niet door.
In 1991 werd Kok vanuit onder meer zijn eigen partij, de PvdA, ernstig bekritiseerd om het voornemen van het kabinet de WAO-regeling drastisch te herzien, om zo een einde te maken aan het toenemend aantal mensen dat een beroep op die regeling deed. Op 28 september 1991 vroeg Kok tijdens een buitengewoon PvdA-congres nadrukkelijk steun voor dit beleid en kreeg (ruim) het gevraagde vertrouwen.
In 1993 bracht Kok wetten tot stand inzake identificatie bij financiële dienstverlening en inzake melding van ongebruikelijke transacties

Minister-president

Toen bij de Tweede Kamerverkiezingen 1994 het CDA een dramatische nederlaag leed (20 zetels verlies), kwam de weg vrij voor de vorming van een paars kabinet, waarin de vroegere opponenten PvdA en VVD samen met D66 zouden regeren. Hoewel de PvdA ook groot verlies had geleden (de PvdA verloor 12 zetels maar werd voor het eerst sinds 1982 weer de grootste partij in de Kamer), werd Wim Kok minister-president van dit kabinet. Op 11 december 1995 verklaarde hij tijdens de Den Uyl-lezing dat "een werkelijke vernieuwing van de PvdA begint (... ) met een definitief afscheid van de socialistische ideologie; met een definitieve verbreking van de ideologische banden met andere nazaten van de traditionele socialistische beweging." (tekst lezing)
In het eerste paarse kabinet werd het beleid met betrekking tot overheidsfinanciën, dat onder verantwoordelijkheid van Kok in het derde kabinet-Lubbers al was gevoerd, doorgezet. Nederland zag zich hiertoe gedwongen, omdat het alleen op deze manier alsnog zou kunnen voldoen aan de eisen voor deelname aan de Europese Monetaire Unie.
Het Kabinet-Kok I voerde een succesvol werkgelegenheidsbeleid (met name door het beleid van loonmatiging) en wist de overheidsfinanciën verder te saneren. Financiële meevallers werden gebruikt om de staatsschuld te verminderen, maar werden ook aan burgers en bedrijven teruggegeven in de vorm van lastenverlichtingen. Hierdoor groeide de Nederlandse economie in recordtempo.
Kok speelde tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie, januari-juni 1997, een belangrijke rol bij de totstandkoming van het Verdrag van Amsterdam. Dit op 2 oktober 1997 ondertekende verdrag versterkte de bevoegdheden van de Europese Unie op terreinen als justitie, het vrije verkeer van personen, buitenlands beleid en gezondheidszorg. Het Europees Parlement kreeg meer wetgevende bevoegdheden.

Bij de Tweede Kamerverkiezingen 1998 werd de PvdA beloond voor het beleid van het kabinet en wist de partij zich met acht zetels winst te herstellen tot 45 zetels. Al voor de verkiezingen was het eigenlijk wel duidelijk dat het paarse kabinet zou doorregeren en dat gebeurde ook na een voor huidige begrippen zeer korte informatie- en formatieperiode. Aanvankelijk ging het ook het Kabinet-Kok II voor de wind. De economische groei zette onverminderd door en de regering kreeg miljardenmeevallers. Er ontstond zelfs een overschot op de overheidsbegroting. Nationaal en internationaal kreeg Kok veel waardering voor het Nederlandse economische beleid en het begrip "poldermodel" werd internationaal bekend.


Wim Kok en Russisch president Vladimir Poetin in januari 2001
Op 18 mei 1999 viel het tweede kabinet-Kok echter bijna, toen tijdens de Nacht van Wiegel een wetsvoorstel aangaande referenda in de Eerste Kamer sneuvelde doordat VVD Eerste Kamerlid Hans Wiegel tegenstemde. D66 kondigde hierop aan het kabinet te verlaten. Na een geslaagde lijmpoging kon Kok echter met dit kabinet verder regeren.
Naast het economische beleid lagen belangrijke beleidspunten van Koks kabinetten vooral op immaterieel gebied. Zo werd euthanasie verder geliberaliseerd en werd het homohuwelijk ingevoerd. Verder werden op economisch gebied liberaliseringen doorgevoerd (energiesector, winkeltijden, vestigingseisen).
De sterke economische groei leidde echter aan het eind van de 20e eeuw tot een oververhitting van de economie. Door de sterke groei van het aantal banen ontstond er krapte op de arbeidsmarkt. Dit leidde tot personeelstekorten in onder meer de zorg en het onderwijs. De problemen in de zorg leidden tot wachtlijsten. Door de krapte op de arbeidsmarkt stegen de lonen veel harder, wat een streep haalde door het jaren gevoerde beleid van loonmatiging en ook in het onderwijs ontstonden problemen. Doordat het kabinet ook nog lastenverlichtingen doorvoerde, steeg de koopkracht van de Nederlanders. Dit leidde tot relatief hoge inflatie. Hierdoor verslechterde de concurrentiepositie van Nederland. Achteraf gezien verweten veel critici het kabinet Kok dat ze de recessie versterkt hebben door grote lastenverlichtingen door te voeren in een periode van hoogconjunctuur en door politiek moeilijke besluiten over onder meer saneringen in de gezondheidszorg en de WAO steeds uit te stellen (en uiteindelijk aan een volgend kabinet over te laten).
Toen in 2001 bekend werd dat de vader van de aanstaande bruid van kroonprins Willem-Alexander in de regering van Argentijnse dictator Videla had gezeten, dreigde een politieke crisis. Kok schakelde onder andere minister van staat Max van der Stoel in bij onderhandelingen met de aanstaande schoonvader van de prins van Oranje. Jorge Zorreguieta besloot uiteindelijk, vanwege de commotie die in Nederland was ontstaan, niet aanwezig te zijn bij de huwelijksplechtigheid van zijn dochter. Tevens gaf Kok aan prof. dr. Michiel Baud de geheime opdracht om een onderzoek te doen naar de rol van Jorge Zorreguieta tijdens de Vuile Oorlog.
Einde politieke carrière[bewerken]
Op 29 augustus 2001 maakte Kok bekend dat hij na de verkiezingen van 2002 zou terugtreden als politiek leider van de PvdA. In zijn ogen zou Ad Melkert zijn opvolger moeten worden. Het PvdA-congres wees Melkert op 15 december 2001 aan als lijsttrekker en als politiek leider van de PvdA.


Wim Kok in gesprek met premier Rutte (2011)
In het laatste jaar van Koks regeerperiode ontstond een steeds grotere anti-paarse stemming. Deze stemming werd niet in de laatste plaats gevoed door Pim Fortuyn, die rond die tijd snel opkwam. In Fortuyns boek De puinhopen van acht jaar Paars, uitte hij forse kritiek op de kabinetten-Kok. Naast de eerder genoemde lange wachtlijsten in de zorg en problemen in het onderwijs, kregen de paarse kabinetten vooral de schuld van het snel groeiende gevoel van onveiligheid dat in Nederland ontstond (dat flink werd aangewakkerd door de terroristische aanslagen op 11 september 2001). Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2002 leed de PvdA zware verliezen.
Op 16 april 2002 diende Kok zijn ontslag in. Op die wijze nam hij de politieke verantwoordelijkheid voor de mislukte, door Nederlandse militairen uitgevoerde, VN-missie in de enclave Srebrenica. In 1995 werd die enclave door de Bosnische Serviërs ingenomen, waarna de mannelijke bevolking, bestaande uit 7000 personen, werd weggevoerd en vermoord. Directe aanleiding voor de ontslagaanvraag waren de bevindingen van een door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) uitgevoerd onderzoek naar de gang van zaken tussen het moment van uitzenden van de missie in 1993 en de afhandeling van de affaire in 1998 (zie Kabinetscrisis over het Srebrenica-drama). De overige ministers zagen in het besluit van Kok reden ook hun ontslag in te dienen. Zo viel het kabinet vlak voor de verkiezingen. Tot de beëdiging van het kabinet-Balkenende I op 22 juli 2002 regeerde Kok als demissionair minister-president. In juni 2002 bracht Kok samen met minister Herfkens een bezoek aan Bosnië om nabestaanden van de massamoord in Srebrenica te ontmoeten. Kok wilde daarmee jegens hen een verzoenend gebaar maken.

Carrière na de politiek


Wouter Bos, Wim Kok en Job Cohen in 2011, op de 65e verjaardag van de PvdA
Na de beëdiging van het kabinet-Balkenende I trad Kok, zoals hij een jaar eerder al had aangekondigd, terug uit de Nederlandse politiek. Na enkele maanden in de anonimiteit geleefd te hebben, aanvaardde Kok in 2003 enkele commissariaten, bij de ING Groep, TPG Post, Shell en de KLM.
Deze commissariaten leidden tot enige discussie en kritiek, doordat Kok tijdens zijn bewind kritiek geleverd had op bestuurders van grote bedrijven en daarbij van "ordinaire zakkenvullers" en van "exhibitionistische zelfverrijking" had gesproken. Als commissaris genoot hij niet alleen zelf royale inkomsten,[2] maar nam hij ook medeverantwoordelijkheid voor enkele verdere inkomensstijgingen. Zo stemde hij in met een stijging van 584% in de loop van drie jaar van de kortetermijnbonus voor ING-topman Michel Tilmant. Tegenover de Commissie-de Wit verdedigde Kok dit door te zeggen dat de raad van bestuur van ING qua inkomen zwaar achteropgeraakt was bij de rest van de bankwereld, en dat het verschil met de concurrentie kleiner gemaakt moest worden om de talentvolle mensen te kunnen behouden.[3] Kok verklaarde dat hij als minister-president een "maatschappelijke verantwoordelijkheid” had, terwijl hij als commissaris "in het belang van de vennootschap” moest handelen".[4] Naast zijn commissariaten vervulde Kok enkele Europese adviesfuncties.
Vanaf november 2014 was hij niet-uitvoerend bestuurder van de beursgenoteerde China Construction Bank (CCB). Het is de op één na grootste bank van de Volksrepubliek China met een balanstotaal van 1800 miljard euro. Kok werd voor de post benaderd door Jenny Shipley, de voormalig minister-president van Nieuw-Zeeland en ex-commissaris bij de CCB. Kok kende haar van de Club van Madrid.[5]
Wim Kok was van 2009 tot 2013 voorzitter van de Club van Madrid.[6] Deze organisatie bestaat uit 70 voormalige staatshoofden en regeringsleiders van 50 landen. De Club van Madrid heeft als belangrijkste doelstelling om wereldwijd democratie te bevorderen.

2018-12-06 20:22:02

IJf Blokker
(Den Helder, 2 september 1930) is een Nederlands drummer, acteur, zanger, komiek, presentator en stripauteur.
Loopbaan[bewerken]
Blokker begon zijn carrière als drummer. Hij kreeg een opleiding aan de Muziekschool en oefende dit beroep uit van 1948 tot 1973. Hij had vaste engagementen bij diverse orkesten, werkte drie jaar in Duitsland, zes jaar bij de Sleeswijk Revue en nog eens drie jaar in het orkest bij Ted de Braak. Hij gaf ook drumles aan o.a. Jan Keizer van de band BZN.
Hij kreeg in 1971 bekendheid door de rol van Barend Servet in het televisieprogramma De Fred Haché Show, met het gevolg dat er een jaar later een Barend Servet Show kwam, die liep van 1972 tot 1973. Deze programma"s, bedacht, geschreven, samengesteld en geregisseerd door Wim van der Linden, Wim T. Schippers, Gied Jaspars en Ruud van Hemert en uitgezonden op de Nederlandse televisie door de VPRO, veroorzaakten nogal wat ophef door blote danseressen en andere figuranten, gevloek en absurde humor. Als Barend Servet haalde Blokker in 1973 de Veronica Top 40 en de Daverende 30 met het nummer Waar moet dat heen, hoe zal dat gaan? Andere singles waren Tok tok tok, Hoe kan dat nou, Mijn thee en ABC.
Vanaf 1987 tot aan 1991 speelde Blokker de rol van Meneer Smit in de kinderserie Mevrouw Ten Kate. De serie werd uitgezonden op zondagochtend in het jeugdblok van de VPRO dat toen nog geen Villa Achterwerk heette. Ook speelde Blokker mee in de op de televisieserie gebaseerde film Mevrouw Ten Kate en het beest in de mens. Hierin opnieuw in de rol van Meneer Smit.
Als acteur ging hij meewerken aan hoorspelen, de tv-taalcursus Ik heb u lief, mijn Nederlands en nasynchronisaties. Ook was hij te zien in bijrollen in Zeg "ns Aaa, SamSam en in Pompy de Robodoll, Seth & Fiona en Filmpje!. In een televisiebewerking uit 1990 van het toneelstuk Eva Bonheur van Herman Heijermans speelde Blokker de rol van effectenmakelaar Mijpel.
Tussen 1982 en 1988 speelde hij achtereenvolgens in zes theaterproducties bij de familie Nooy: De Jantjes, De Jordaan, Hadjememaar, In Holland Staat Een Huis, Boefje en Heimwee. En in seizoen 1991/1992 speelde hij met Peter Faber en Petra Laseur in het bekroonde Het Koekoeksnest.
In de seizoenen 1980/1981 en 1982/1983 presenteerde hij voor de televisie het VPRO-natuurprogramma Puur natuur. In 1987 was Blokker de commentaarstem bij het AVRO-televisieprogramma Prijs je rijk met Fred Oster als presentator. Ook is hij bekend als bierkenner en als strip-, portret- en reclametekenaar.

2018-12-06 20:22:02

Jacobus Pieter Thijsse

(Maastricht, 25 juli 1865 – Overveen, 8 januari 1945) was een Nederlands schrijver, onderwijzer en natuurbeschermer,die vooral bekend werd door zijn vele bijdragen op het gebied van de natuureducatie, veldbiologie en natuurlijke historie.
Van de vele boeken die Thijsse schreef, vaak met zijn vriend Eli Heimans, zijn waarschijnlijk het meest bekend de voor leken goed bruikbare flora en de Verkade-albums. Hij was mede-oprichter van het tijdschrift De Levende Natuur en zette zich in voor het behoud van het Naardermeer, het eerste beschermde natuurmonument in Nederland. Hij stond aan de wieg van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland en was actief in veel andere organisaties voor natuurstudie en -bescherming.

Jeugd en opleiding

Jacobus Pieter Thijsse werd geboren als het derde kind van Catharina Johanna Priester (geboren te Middelburg, 3 maart 1836) en Jacobus Thijsse (geboren te Delft, 5 oktober 1832), op 25 juli 1865 om half twaalf "s avonds, in de commandantswoning van de Sint-Pieterskazerne van het Tweede Regiment Infanterie te Maastricht. De vader, Jacobus Thijsse, had op dat moment de leeftijd van 32 jaar en was beroepsmilitair en de zoon van matroos Willem Thijsse. Hij had de rang van sergeant. Het gezin verhuisde regelmatig en was op 1 mei 1864 vanuit Middelburg in Maastricht komen wonen. In 1859 waren Catharina en Jacobus in "s-Hertogenbosch in het huwelijk getreden. De oudste broer van Jacobus Pieter - Willem Johannes - werd op 10 juli 1860 in Den Bosch geboren. De tweede broer - Johannes Jacobus Laurens - werd geboren op 19 september 1862 in Vlissingen. Op 16 april 1868 werd in Maastricht nog een broer geboren, Carel Helenus. Een paar dagen later, op 29 april, verhuisde het gezin naar Grave


Het geboortehuis in Maastricht van Jacobus Pieter, die in zijn jeugd en onder vrienden meestal "Ko", of "Kootje" werd genoemd, en die zich pas op latere leeftijd de naam "Jac. P." aanmat,[3] stond indertijd bekend als St. Pieterstraat nr. 2651. De huizen in Maastricht waren toen doorlopend genummerd, van 1 tot 3098. Nr. 2650 was het toenmalige “slagthuis” van de gemeente, het laatste huis van de Helstraat (thans Sint Bernardusstraat, die uitkomt op de Helpoort). Nr. 2652 was het arsenaal of tuighuis (de voormalige Minderbroederskerk; nu St. Pieterstraat 5) en nr. 2653 was de kazerne. Panhuysen, rijksarchivaris te Maastricht, concludeerde daarom in 1947 dat met nr. 2651 bedoeld moet zijn de voormalige “commandantswoning”, gelegen tussen de Helpoort en de voormalige Minderbroederskerk; achter het priesterkoor van de kerk.
Van 1868 tot 1870 woonde het gezin Thijsse in een huis bij de fortwal op een vormwerk van de vesting, net buiten het stadje Grave. Ze hadden daar ruimte voor verschillende tuinen: een moestuin, een bloementuin en kindertuintjes. Aan die tuin en de tijd in Grave denkt Thijsse terug als hij in 1940 schrijft over "den tuin bij ons huis, de oevers van de Maas, de heide bij Escharen en het aardige riviertje de Raam; mijn moeder, die met ons de bloementuintjes verzorgde; mijn vader, die een groot liefhebber was van hengelen en wandelen en ons dikwijls mee nam en ons ook, volgens de goedige gewoonte van dien tijd en van dat land, de vogelnestjes wees met de vergunning, de jongen uit te halen en op te voeden, wat soms zelfs gelukte."

Bij verschillende gelegenheden komt Thijsse terug op deze periode in zijn leven, die van grote invloed is geweest op de ontwikkeling van zijn belangstelling en waardering voor de natuur. In 1870 verhuisde het gezin in verband met de mobilisatie vanwege de Frans-Duitse oorlog van de vesting naar het stadje Grave. Op 2 maart 1870 werd Jacobus Thijsse bevorderd van sergeant-schrijver tot sergeant-majoor. Drie jaar later verliet hij de dienst en verhuisde het gezin naar Woerden, waar vader Thijsse een burgerfunctie in de militaire sfeer aanvaardde.
In Woerden ging Ko voor het eerst naar school. Omdat hij thuis al had leren lezen en schrijven kwam hij meteen in de derde klas. Hij ging ook op catechisatie. Om zijn lange wandelingen in de omgeving van Woerden te kunnen maken spijbelde hij nogal eens. Het was - in de (latere) woorden van Thijsse zelf - "een heerlijk leventje", dat hij in die jaren leidde, en dat tot een einde kwam toen in 1877 de vesting Woerden werd opgeheven en vader Thijsse solliciteerde naar een baan in Amsterdam.
Vader Thijsse ging in Amsterdam aan de slag als notarisklerk. Voor Ko was een carrière als onderwijzer uitgestippeld. Vermoedelijk was Ko tussen zijn twaalfde en veertiende jaar "kwekeling". Het was in die tijd gebruikelijk dat kweekschoolaspiranten - die pas op hun veertiende jaar tot de kweekschool werden toegelaten - na het verlaten van de lagere school twee jaar in de leer gingen bij een schoolhoofd. Thijsse bezocht van 1879 tot 1883 de gemeentelijke kweekschool, waar hij onder meer les kreeg van dr. C. Kerbert in het vak "Natuurlijke historie". Kerbert organiseerde buitenschoolse activiteiten, die voor Ko een nieuwe stimulans vormden om zich verder in de natuur te verdiepen. De reeds aanwezige liefde voor de natuur ontwikkelde zich in deze tijd tot een levenslang enthousiasme voor de natuurstudie. Met Kerbert ontstond een vriendschapsrelatie, die ook in Thijsses latere leven bleef bestaan.
Dat we hier te maken hadden met een zeer fanatieke natuurliefhebber, blijkt uit Thijsses artikel "Gras" in De Levende Natuur in 1898. Daarin memoreert hij de plantkundige vondsten die hij op zeventienjarige leeftijd in de directe omgeving van Amsterdam deed. Hij verzamelde in twee jaar tijd in totaal 433 gedetermineerde planten in zijn herbarium en sloot een weddenschap met een vriend dat hij binnen een jaar de zeshonderd soorten zou halen. Die verloor Thijsse, omdat hij weliswaar 613 plantensoorten had verzameld, maar 39 soorten grassen niet had gedetermineerd.

Onderwijzer

Na de kweekschool kreeg Thijsse in 1883 zijn eerste aanstelling op een Amsterdamse school als derde onderwijzer. Vervolgens behaalde hij de hoofdakte en verschillende taalakten en werd hij bevorderd tot tweede onderwijzer. Eind 1888 kreeg hij een aanstelling aan de leerschool van de Kweekschool voor Onderwijzers en Onderwijzeressen in Amsterdam.
Eind december 1889 werd Thijsse benoemd tot hoofd van de Franse school in Den Burg op Texel.[Hoewel het eiland erg afgelegen lag, zeker voor die tijd, koos hij er toch voor uit een aantal andere aanbiedingen, omdat hij in het proefschrift van Franciscus Holkema over de flora der Noordzee-eilanden had gezien dat er veel bijzonders was te vinden. Toen hij er was benoemd kreeg hij Holkema"s boek ten geschenke van Coenraad Kerbert, zijn leraar natuurlijke historie.
Tijdens zijn verblijf op Texel op 30 juli 1891 trouwde Thijsse met de onderwijzeres Helena Christina Petronella Bosch (10 maart 1867 - 5 mei 1938). Zij hadden elkaar op de kweekschool leren kennen. Ze kregen twee zoons.
Omdat zijn vrouw heimwee had en niet op Texel wilde wonen, vertrokken zij in 1892 weer van het eiland. Hij ging terug naar Amsterdam en werd daar hoofd van de Openbare School aan de Passeerdersgracht. Thijsse schreef later over Texel: "Al heb ik er maar twee en een half jaar gewoond, Texelaar zal ik blijven tot het eind."
In 1893 ontmoette hij Eli Heimans, eveneens schoolhoofd in Amsterdam, met wie hij in de jaren die volgden veel samenwerkte. Ze publiceerden vele artikelen en boeken en richtten verscheidene natuurbladen en -organisaties op, waaronder De Levende Natuur en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland.
In 1900 kreeg Thijsse pleuritis en moest met één long verder leven. Eind 1901 werd hij benoemd tot leraar "kennis der natuur" aan de Amsterdamse kweekschool waar hij zelf les had gehad, als opvolger van Hendrik Heukels.


Jac. P. Thijsse

In 1902 verhuisde het gezin om gezondheidsredenen naar Bloemendaal. Hier maakte hij kennis met de fotograaf Adolphe Burdet, wat leidde tot een jarenlange vriendschap en samenwerking. Thijsse bleef een aantal jaren als forens naar Amsterdam reizen om daar les te geven. In 1921 werd hij leraar "natuurlijke historie" aan het Kennemer Lyceum in Bloemendaal. Een jaar later kreeg hij ook een benoeming aan de Middelbare Meisjesschool "t Kopje, als leraar plant- en dierkunde. In 1930 ging hij met pensioen, waarna hij met zijn echtgenote een reis van een half jaar naar Java maakte, waar hun jongste zoon woonde. In 1938 werd hij weduwnaar. n de bezetter evacueren naar Overveen. Hier stierf hij kort na de jaarwisseling in 1945 op 79-jarige leeftijd. Thijsse ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Bergweg in Bloemendaal.

Natuureducatie

De betekenis van Thijsse voor natuurstudie en natuureducatie was groot, net als van zijn kompaan Heimans. Beiden hadden dezelfde passie voor natuur. Thijsse zei daarover: "Heimans was ook een onvermoeide looper, kortom wij pasten precies bij elkaar en hebben twintig jaar lang zóó samengewerkt, dat dikwijls genoeg de menschen niet wisten, wie Heimans en wie Thijsse was."[15] Samen gaven ze vorm aan wat pas later natuureducatie ging heten. Voor de schooljeugd schreven ze de reeks Van vlinders, bloemen en vogels. Het eerste deeltje hiervan verscheen in 1894. In de jaren daarna tot 1901 volgden vijf andere deeltjes. Het vernieuwende van hun aanpak was dat ze de lezers aanmoedigden om zelf te kijken naar de natuur en op zoek te gaan naar eigen waarnemingen. Ook in wetenschappelijk opzicht was hun aanpak vernieuwend, omdat zij planten en dieren niet alleen afzonderlijk beschreven maar ook in samenhang, als onderdeel van levensgemeenschappen, in navolging van de eerste ecologische geschriften en de popularisering daarvan door onder meer Friedrich Junge.
In 1896 richtte Thijsse samen met Heimans en Jasper Jaspers jr. het tijdschrift De Levende Natuur op, een "tijdschrift voor de natuursport" waarin ze allerlei natuurverschijnselen en waarnemingen beschreven voor relatieve leken. De in 1899 verschenen Heimans, Heinsius en Thijsse"s geïllustreerde flora van Nederland toonde in tegenstelling tot de andere flora"s door de auteurs zelf getekende plaatjes en gebruikte eenvoudige termen, zodat ook beginners ermee aan de slag konden.
Rond 1900 was Thijsse, vaak met Heimans, betrokken bij de oprichting van verschillende organisaties, met name de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging, de Nederlandse Ornithologische Vereniging en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. Thijsse maakte zich binnen deze organisaties sterk voor zowel natuurstudie en natuureducatie als natuur- en vogelbescherming.

Verkade-albums
In 1904 werd Thijsse gevraagd om de tekst te verzorgen voor albums van Verkade. Bij de koekjes van Verkade zaten plaatjes die men in de albums kon plakken, ter illustratie van de tekst van Thijsse. Thijsse schijnt te hebben uitgeroepen: "Ze hebben me voor de reclame gevraagd!". Hij deed het uiteindelijk toch en de albums werden een groot succes. Een aantal haalde een oplage van meer dan 100 000. Bovendien bereikten ze mensen uit een groot deel van de samenleving, hoewel de Verkadekoekjes voor het arme deel van de bevolking veelal te duur waren. De serie albums begon met de delen Lente, Zomer, Herfst en Winter. Later verschenen albums over biotopen en natuurgebieden, zoals Het Naardermeer.

2018-12-06 20:22:02

Jan Cremer
(Enschede, 20 april 1940) is een Nederlandse schrijver en beeldend kunstenaar. Jan Cremer is vooral bekend van de roman Ik, Jan Cremer uit 1964 en Ik Jan Cremer, tweede boek uit 1966. Zijn tweede boek is weleens vergeleken met On the Road van Jack Kerouac. Cremer heeft een scherp oor voor vulgair, humoristisch taalgebruik en oog voor de absurde kant van de Amerikaanse glamourwereld, wat hem verwant maakt aan respectievelijk Louis-Ferdinand Céline en Nathanael West, vooral in Ik, Jan Cremer Derde Boek en Made in U.S.A..

Levensloop

Jan Cremer genoot onderwijs aan de kunstacademies van Arnhem en Den Haag, waar hij gewoond heeft in de Annastraat.
Cremers literatuur en beeldende kunst vertonen opvallende overeenkomsten. Beide richten zich op het zich losmaken van traditionele esthetiek en eeuwenoude culturele bagage, zoals de volgende citaten illustreren:
"Ik lees niet, ik word gelezen."
"Rembrandt? Wie is dat? Ik heb geen verstand van sport."
Beide citaten onthullen zijn vermogen tot choqueren of op zijn minst aandacht trekken en zichzelf verkopen als een lefgozer met bewijsbaar talent (vgl. James Dean): cultuur als een last ervaren past in dit plaatje. Met name Ik Jan Cremer, maar ook zijn "peinture barbarisme", vergelijkbaar met die van Karel Appel, hebben een grote schok door de maatschappij doen gaan. Acties als het hangen van een kaartje van fl 1.000.000,- aan een schilderij (hij was toen slechts 18 jaar) en het luid toeterend langs het boekenbal crossen hebben hem tot enfant terrible van de Nederlandse beeldende kunst en literatuur gemaakt.

De literaire relevantie van Cremers werk is vooral belichaamd in Ik Jan Cremer. Centraal daarbij is de bevrijding van de idealen van de jaren 50. Het is een voorbode van de vrije seks en wilde jaren 60. Dit verklaart waarom Cremer ook buiten Nederland veel gelezen werd. Ook dit leverde kritiek op. Over het boek werden Kamervragen gesteld, het werd fascistisch genoemd en voetbalvandalen werden beschuldigd van "Jan Cremerisme".
Cremer zelf werkte hier flink aan mee, omdat hij er de commerciële mogelijkheden van zag. Toen een ijverige politieman in Hengelo begin 1964 exemplaren van Ik Jan Cremer in beslag nam, verschenen in enkele dagbladen steunbetuigingen van bezorgde ouders. Ze bleken alle te zijn geschreven door Jan Cremer.
Vanaf 1970 weet Cremer zijn werk te combineren met zijn reis- en zwerflust. Zes maanden per jaar reist hij, de andere maanden verdeelt hij zijn tijd tussen schrijven en schilderen. Vele van zijn reizen zijn een reconstructie van de trektocht van de Hunnen onder Attila en de Mongolen onder Djenghis Khan. Met deze volkeren voelt Cremer zich sterk verwant, ook voordat een genealoog ontdekt dat hij langs moederskant zelf uit Mongolië stamt.
Na 1970 legt hij zich vooral toe op het lithograferen, wat onder meer resulteert in een aantal tulpen ‘Hollandse landschappen’. ‘Hij vertelt over Holland zoals alleen een emigrant dat zou kunnen doen, pratend over een wijd land met prachtige kleuren, een leeggewaaide blauwe lucht, een groene wei, plastieken van gele korenschoven op een afgemaaid land (...). Ga je zoiets benoemen dan passen dergelijke voorstellingen onder de noemer pop. (...) Maar pop betekent bij hem niet alleen populair maar ook werkelijk volks,’ schreef W.A.L. Beeren, directeur van het museum Boijmans Van Beuningen. Zijn beeldend werk wordt voortdurend in grote eenmanstentoonstellingen in binnen- en buitenland geëxposeerd.
Cremer wordt door Remco Campert in diens novelle Tjeempie! Of Liesje in Luiletterland gepersifleerd als het Roofdier, als een van de moderne schrijvers die Liesje gaat opzoeken. Hierin wordt Cremer omschreven als een agressieve rouwdouwer voor wie iedereen in het stof kruipt. Hij weet dat het om "munnie in de pokkut en een bebie in bed" gaat, en heeft in plaats van een auto dan ook een gouden helikopter. Van alle moderne schrijvers wordt hij gekenmerkt als de ergste: "hij is geen mens maar een beest".
In 1999 verscheen de verhalenbundel De Venus van Montparnasse, een verzameling van een twaalftal literaire reportages uit het journalistieke repertoire van Cremer.
In zijn boek De Hunnen levert Cremer felle kritiek op de regering in Londen tijdens de bezetting in de Tweede Wereldoorlog, die in 1944 opriep tot de Spoorwegstaking. Deze staking heeft volgens hem in feite de Hongerwinter veroorzaakt, doordat door die staking voedsel vanuit de noordelijke delen van het land (o.a. aardappelen uit Groningen) niet naar de grote steden in het hongerende westen van het land vervoerd konden worden.

Van 10 tot 27 juni 2013 liet Cremer ruim duizend kunstwerken, foto"s, brieven en andere persoonlijke documenten en objecten uit zijn bezit veilen.
In 2016 kwam zijn boek Odyssee uit.

2019-01-03 22:29:44

Adam Curry

Adam Clark Curry (Arlington, Virginia,[bron?] 3 september 1964) is een Nederlands-Amerikaans presentator en ondernemer.
Levensloop

Curry werd geboren in de Verenigde Staten en verhuisde als acht maanden oude baby naar Oeganda. In 1967 keerde de familie Curry weer terug naar de VS. Op achtjarige leeftijd (in 1972) verhuisde hij met zijn familie naar Nes aan de Amstel.
Curry kwam via de ziekenomroep, Radio Tulipa, van ziekenhuis Amstelland (voorheen Tulpziekenhuis) en piraat Radio Picasso in Amstelveen en de Amsterdamse radiopiraat Radio Decibel in mei 1984 terecht bij de Nederlandse publieke omroep Veronica, als presentator van het muziek televisieprogramma Countdown en de radio programma"s Hot Curry en Curry en Van Inkel (samen met Jeroen van Inkel) op de Volle Vrijdag op Radio 3. Het programma was vernieuwend voor het Nederlandse radiolandschap vanwege zijn brutaliteit en populaire duopresentatie. Het groeide in korte tijd uit tot een van de meest populaire radio programma"s ooit op de Nederlandse radio, met meer dan 700.000 luisteraars op de vrijdagavond.
Op 29 december 2017 maakte Jeroen van Inkel bekend dat Curry de Marconi Oeuvre Award 2017 zal ontvangen. Naar aanleiding van het ontvangen van deze erkenning, werd Curry uitgenodigd voor de jaarlijkse uitblinkerslunch van het Koninklijk Huis.

Verenigde Staten

In oktober 1987 vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij presentator werd bij het muziekstation MTV.
In 1994 verliet Curry MTV om zich op het internet te richten. Hij was oprichter van OnRamp, een bedrijf dat webdesign- en webhostingdiensten leverde. Het werd al snel verkocht aan THINK New Ideas, een bedrijf waarvan Curry medeoprichter was en dat in 1996 een notering kreeg op de NASDAQ-beurs. Het ging in 1999 op in AnswerThink, een voor Curry gunstige transactie. Ook Curry"s vroege investering in zoekmachine Ask Jeeves pakte gunstig uit. De activiteiten van THINK New Ideas werden in 2002 gestaakt. Ook maakte Curry tussen januari 1994 en september 1995 het dance/rave programma Rave Radio voor Veronica op Radio 3. Dit radioprogramma werd rechtstreeks vanuit New York tussen 22:00 en 0:00 uur op de zaterdagavond uitgezonden.

Terug in Nederland

Curry keerde in 1999 terug naar Nederland. In 2000 richtte hij samen met Simon Cavendish het bedrijf RotorJet op, dat helikoptervluchten wilde verkopen aan een select publiek. Het ging failliet en in april 2005 gelastte een rechtbank Curry, op verzoek van enkele schuldeisers, circa 2 miljoen dollar terug te storten in de kas van het bedrijf.
Voor BNN presenteerde Curry enkele programma"s. Ook was hij met zijn gezin te zien in de realitysoap Adam"s Family: een kijkje in het leven van de familie Curry (2002/2003), uitgezonden door SBS 6. Curry was betrokken bij de Endemol-productie Sterrenbeurs. Voor Radio Veronica presenteerde hij tot september 2004 Ook Goeiemorgen.
Samen met Cavendish en Unico Glorie zette Curry in 1999 het multimediabedrijf United Resources of Jamby op. Dit URJ fungeerde als moedermaatschappij en incubator voor diverse bedrijven; een cultivator, aldus Curry. Jamby, een acroniem voor Just Anarchy Made By You, richtte zich vooral op de ontwikkeling van breedbandtoepassingen. Een samenwerking met Curry"s oude werkgever Veronica leidde tot teleurstellingen en gerechtelijke stappen. Jamby probeerde ook om betrokken te geraken bij het opzetten van Kennisnet, de internetdienst voor Nederlandse scholen. De deelname van Jamby (ook wel URJ) voldeed niet aan de Aanbestedingsregels. Deze zaak had nog een gevolg in een aanklacht van fraude tegen drie ambtenaren van O&W, die facturen van Jamby voor mogelijk niet-betaalde werkzaamheden uitsplitsten en betaalden, waarmee in totaal een bedrag van € 500.000,- was gemoeid. Later bleek dat deze ambtenaren in opdracht van de toenmalige secretaris-generaal Jan Vrolijk handelden. De belangrijkste werkmaatschappij, Jamby BV, werd in 2002 failliet verklaard: het product Freedom Controller, een in Java geschreven P2P-programma voor de uitwisseling van bestanden over internet, was geflopt. De URJ-bedrijven DataBarn en KGB-e zijn inmiddels ook failliet.
Curry was enige tijd een promotor van het webloggen. In 2004 werd hij lid van de Socialistische Partij, een deal met SP-leider Jan Marijnissen die een weblog begon. Curry legde zich toe op het podcasten, een kruising van radio met weblog, waarvan hij een van de belangrijkste inspirators werd.
Vanaf 1999 woonde Curry met zijn gezin in het landhuis "Het Looi" in Rijkevorsel. Hij verplaatste zich bij voorkeur per gehuurde helikopter naar zijn Amsterdamse pied-à-terre.

Engeland

In 2004 verhuisde de familie naar de Curry Cottage nabij het Engelse Guildford, om in december 2008 te verhuizen naar the Curry Terrace in Londen. Daarvandaan verzorgde hij zijn podcast the Daily Source Code, met regelmatig nieuwe afleveringen tot februari 2009.
In 2005 kwam Curry in opspraak omdat hij anoniem het Engelstalige Wikipedia-artikel over podcasting verscheidene malen wijzigde, waarbij hij de rol van anderen verwijderde uit het artikel. Hij bood hier later zijn excuses voor aan.
Op 26 oktober 2007 was de eerste podcastuitzending No Agenda van Curry en John C. Dvorak. In de uitzendingen worden actuele onderwerpen kritisch geanalyseerd op waarheidsgehalte.
Sinds mei 2008 was Curry weer even op de Nederlandse radio. Hij presenteerde (vanuit zijn thuisstudio in Londen) samen met Alexander Stevens en Eline Maarse (vanuit de studio in Den Haag) het ochtendprogramma Curry"s Wake Up Call bij radiostation Arrow Classic Rock.[6] Dit programma stopte in overleg met Curry, per direct op 1 september in datzelfde jaar. Curry gaf als reden hiervoor aan dat Arrow de nadruk terug op muziek wilde leggen.Curry kreeg veel kritiek van luisteraars op zijn programma waarin hij kritisch nieuws en soms complottheorieën bracht.
In 2010 begint hij de Big App Show,een video-applicatie op de iPhone en later ook voor Android, waarin iedere dag een (doorgaans gratis) app in twee à drie minuten wordt gedemonstreerd. Deze wordt iedere dag door Curry gepresenteerd. Dit lijkt een logisch vervolg op zijn naam als befaamd podcaster en VODcaster.

Privéleven

Curry huwde in december 2016 voor de derde keer. Hij was tussen 1988 en 2009 getrouwd met Patricia Paay, met wie hij in 1990 dochter Christina kreeg. Hierna was hij van 2012 tot en met 2015 getrouwd met Micky Hoogendijk. In zijn vrije tijd is Curry een fervent radiozendamateur die in 2012 zijn FCC-examen behaalde.

2019-01-03 22:29:44

Antoni van Leeuwenhoek
(ook: Anthoni, Anthonie, Antonie, Antony, Anthony) (Delft, 24 oktober 1632 – aldaar, 26 augustus 1723) was een Nederlandse handelsman, landmeter, wijnroeier, glasblazer en microbioloog. Van Leeuwenhoek is vooral bekend door zijn zelfgefabriceerde microscoop en zijn pionierswerk voor de celbiologie en de microbiologie. Vanaf 1674 deed hij vele ontdekkingen die bekend werden door zijn correspondentie met de Royal Society in Londen.

Leven

Van Leeuwenhoek werd geboren te Delft in 1632 als zoon van Philips Antonyszoon, mandenmaker en Margaretha Bel van den Berch die stamde uit een geslacht van bierbrouwers. Op 4 november 1632 werd hij gedoopt als "Thonis Philipszoon", hij noemde zich van Leeuwenhoek omdat zijn ouderlijk huis in Delft op de hoek naast de Leeuwenpoort stond. Toen hij in 1637 vijf jaar oud was, stierf zijn vader en kort daarna hertrouwde zijn moeder. Tien jaar later overleed zijn stiefvader. Hij ging in Warmond naar school en verbleef bij een oom in Benthuizen. Vervolgens werd hij in Amsterdam vijf tot zes jaar opgeleid tot kassier en boekhouder bij de Schotse lakenhandelaar William Davidson. Op jonge leeftijd ontwikkelde hij een brede belangstelling voor sterrenkunde, wiskunde, natuurkunde en scheikunde. Van Leeuwenhoek trouwde met Barbara de Meij en ging met haar in 1653 of 1654 in Delft wonen waar hij een winkel begon in linnen, garen en band. Ze kregen vijf kinderen en in 1666 stierf Barbara. Het verkrijgen van de sinecure van Kamerbewaarder van Heeren Schepenen in 1660 verschafte hem een vast inkomen (een sinecure is een ambt met een salaris of privileges maar zonder wezenlijke verplichtingen).
In 1669 haalde hij het landmeterexamen. Na de dood van Johannes Vermeer in 1675 trad Van Leeuwenhoek op als executeur-testamentair van diens nalatenschap. Hij was vier dagen na Vermeer in dezelfde kerk gedoopt. Vaak wordt verondersteld dat de twee goed bevriend waren. Sommigen opperden zelfs dat de natuurvorser misschien model heeft gestaan voor Vermeers schilderijen De Geograaf en De Astronoom, en dat hij de kunstenaar zou hebben voorzien van lenzen voor diens camera obscura, maar dit is nooit aangetoond.
Van Leeuwenhoek hertrouwde in 1671 met Cornelia Swalmius, telg uit een predikantengeslacht. De stad Delft benoemde hem in 1679 tot wijnroeier waarvoor een zekere wiskundige kennis was vereist. In 1694 overleed ook Cornelia, waarna hij alleen achterbleef met zijn dochter Maria - zijn andere kinderen waren reeds overleden.
Van Leeuwenhoek was een vermogende man. Dit blijkt uit het vermogen dat zijn dochter 20 jaar na zijn dood naliet: 90 duizend gulden, maar het blijkt ook uit zijn aankoop in 1666 van een tuin buiten de stad en dat hij in 1681 beschikte over een paard. Op 26 augustus 1723 overleed Antoni van Leeuwenhoek in zijn geboortestad, bijna 91 jaar oud. Volgens de verhalen dicteerde hij op zijn sterfbed een brief aan de Royal Society waarin hij het fladderen van zijn middenrif zo grondig beschreef dat de aandoening de ziekte van Van Leeuwenhoek wordt genoemd. Hij werd op 31 augustus 1723 in de Oude Kerk te Delft begraven.

Wetenschappelijk werk

Microscopen[bewerken]
Hoe de vroegste microscopen tot stand kwamen is onduidelijk, maar aan het begin van de 17e eeuw kende de Republiek in Middelburg twee vermaarde lenzenmakers. Hans Lippershey (1570– 1619) en Sacharias Jansen (ca. 1585 – ca. 1632) worden verbonden met de uitvinding van microscoop en telescoop. Hierdoor had de lakenhandelaar Van Leeuwenhoek de beschikking over lenzen en loepen voor de controle van stoffen. In 1648 kreeg hij voor het eerst een vergrootglas in handen: een loep voor de textielhandel met een vergrotende kracht van drie - een dradenteller. De Nederlander Jan Swammerdam (1637-1680) en de Engelsman Robert Hooke (1635-1703) gebruikten reeds een samengestelde microscoop met oculair en objectief, maar de vergrotende kracht van deze apparaten viel in het niet bij de sterke lenzen die Van Leeuwenhoek zou maken. Zo vergrootte Hookes samengestelde microscoop slechts 30x terwijl het vergrotend vermogen van de enkelvoudige microscoop van Van Leeuwenhoek kon oplopen tot 270x zoals blijkt uit een door Van Leeuwenhoek gefabriceerd exemplaar in het bezit van (Het Universiteitsmuseum in Utrecht. Het microscopisch natuurwetenschappelijk onderzoek door Hooke leidde in september 1664 tot het baanbrekende boek Micrographia: or Some Physiological Descriptions of Miniature Bodies Made by Magnifying Glasses. Hierin beschrijft Robert Hooke minutieus onder meer een plantencel, een vliegenoog en een vlo.
Het is mogelijk dat deze publicatie Van Leeuwenhoek indirect geïnspireerd heeft zijn lenzen op iets anders te richten dan lakens. Van Leeuwenhoek was een autodidact: zonder enige natuurwetenschappelijke opleiding en zonder kennis van vreemde talen leerde hij zichzelf in een achtervertrek van de winkel de kunst van het observeren en beschrijven. Maar hij was ook een verbazingwekkende vakman die zichzelf glas leerde blazen, slijpen en polijsten. In tegenstelling tot de samengestelde microscoop van Hooke klemde Van Leeuwenhoek vrijwel altijd één lens tussen twee metalen plaatjes, het te bestuderen onderwerp werd met schroeven vastgeklemd en in een positie geplaatst zodat het scherp kon worden waargenomen.
Geheime methode
Zijn wetenschappelijke status stond of viel met zijn exclusieve kennis van lenzenproductie en daarom hield hij zijn methode angstvallig geheim. Hij legde zijn waarnemingen en conclusies vast in brieven die hij aan bekenden schreef waardoor de Delftse arts en anatoom Reinier de Graaf hem in 1673 introduceerde bij de Royal Society in Londen. Vanaf 1674 werden zijn bevindingen gepubliceerd in de Philosophical Transactions, maar op den duur wekten zijn wonderlijke waarnemingen zoveel ongeloof dat een delegatie werd afgevaardigd om de microscopische wezentjes met eigen ogen te aanschouwen. In 1680 benoemde de Society hem als lid en kreeg hij erkenning voor zijn wetenschappelijke productie. Vele preparaten stuurde Van Leeuwenhoek naar Londen. In 1981 ontdekte de Britse microscopist Brian J. Ford dat Van Leeuwenhoeks oorspronkelijke preparaten in uitstekende staat en van hoge kwaliteit bewaard waren in de Royal Society’s verzamelingen. Tot aan zijn dood, in 1723, stuurde Van Leeuwenhoek brieven met zijn bevindingen naar de Royal Society.
Globulentheorie

Volgens de theorie van de spontane generatie ontstaat leven uit levenloos materiaal (bijvoorbeeld maden uit rottend vlees of vlooien uit vieze lakens). Door de natuurlijke eenheid die Van Leeuwenhoek waarnam, zoals de zaadcellen bij dieren en planten, verwierp hij deze theorie en concludeerde hij dat alle dode en levende stof bestond uit kleine bolvormige deeltjes: globulen, overeenkomstig de heersende leer van Descartes. Nadat hij spierweefsel had bestudeerd erkende hij echter dat vlees niet uit zulke globulen is opgebouwd, maar uit "striemtgens" die van insect tot zoogdier worden aangetroffen.
Ontdekkingen
In 1674: infusoria (afgietseldiertjes, mini-waterorganismen) en protisten (eencelligen met een celkern) gevonden tijdens waterbloei in het Berkelse Meer bij Rotterdam.
in 1674: rode bloedcellen waarvan hij ten onrechte dacht dat deze bolvormig en uit 6 × 6 kleinere globulen waren opgebouwd.
in 1675: ontleding van luizen-eieren en ontdekking van embryonale luizen, waarmee de theorie van de spontane generatie wordt ondermijnd.
in 1676: bacteriën in een peper-infuus. De bijna onzichtbare kaasmijt, die leeft in oude, harde kaas werd destijds voor het kleinste diertje gehouden.
in 1677: spermatozoa. Via een professor uit Leiden krijgt hij de beschikking over het sperma van een man die aan gonorroe lijdt, maar de materie is binnen een paar uur dood.[4] Vervolgens doet hij onderzoek op gezond sperma. Hij ziet een geweldige menigte diertjes.[5] De zaadcellen bewegen (met hun staart) en daarom zijn zij volgens hem de levensdragers. De vrouwelijke voortplantingsorganen dienen slechts voor de voedselvoorziening voor de reeds aanwezige organismen in het sperma. Hij laat de tekst over de menselijke zaadcellen in het Latijn vertalen.
in 1682: streeppatroon op spiervezels.
in 1685: Robert Boyle vraagt hem de kleurstof cochenille te onderzoeken. Van Leeuwenhoek maakte geen tekeningen van wat hij zag en gaf daarmee Nicolaas Hartsoeker de gelegenheid hem de loef af te steken.[6]
in 1688: onderzoek naar bloed en bloedsomloop leidt tot de publicatie van Den waaragtigen omloop des bloeds, als mede dat de arteriën en venae gecontinueerde bloedvaten zijn, klaar voor de oogen gestelt.
in 1694: nauwkeurige beschrijving van het facetoog van een libel.
in 1694: anastomosen (netwerk) in het spierweefsel van een eendenhart. Dit netwerk werd pas in 1849 herontdekt.

2019-01-03 22:29:44

Johan (Jan) Mulder (Bellingwolde, 4 mei 1945) is een Nederlandse ex-voetballer, columnist, schrijver, acteur en televisiepersoonlijkheid.

Jan Mulder groeide op in Bellingwolde, een dorp in de provincie Groningen, als de zoon van een schoenmaker. Hij volgde de HBS, maar maakte zijn studies niet af. Op jonge leeftijd sloot hij zich aan bij Winschoten VV en voetbalde hij voor verscheidene vertegenwoordigende elftallen. Zo won hij in juni 1963 met het Groninger voetbalelftal een internationaal jeugdtoernooi in Veendam. Daar werd hij door de voorzitter van het Belgische Racing Tienen, dat ook aan het toernooi had deelgenomen, ontdekt. Maar ondanks een verblijf van enkele dagen in België besloot Mulder om niet bij de Belgische derdeklasser aan de slag te gaan.
Bij WVV vormde hij in het eerste elftal een succesvol aanvalsduo met Sietze Veen. In 1963 werd Mulder uitgenodigd voor het Nederlands amateurvoetbalelftal en speelde drie interlands. In het seizoen 1963/64 werd Mulder topschutter met 37 doelpunten en veroverde WVV de titel in de Eerste Klasse Noord. In 1964 kregen Veen en Mulder een aanbieding van RSC Anderlecht. De Belgische topclub wilde beide spelers kopen en vervolgens een jaar bij satellietclub Racing Tienen stallen. De transfer ging niet door omdat Mulder, die ook bij het Nederlandse amateurelftal speelde, zich veel te groot vond om bij Tienen te spelen en Veen van zijn ouders niet naar het verre Brussel mocht. Uiteindelijk trok Veen in 1964 naar SC Heracles, terwijl Mulder ondanks herhaaldelijk aandringen van Albert Roosens, de toenmalige voorzitter van Anderlecht, bij WVV bleef.
In het seizoen 1964/65 is Mulder goed voor 23 doelpunten en wordt WVV derde. In het voorjaar van 1965 werd hij door bondscoach Georg Kessler als eerste amateurvoetballer ooit opgeroepen voor Jong Oranje. Bovendien mag hij in die periode enkele keren meetrainen en -spelen met het eerste elftal van Anderlecht. Hoewel met Ajax en GVAV ook clubs uit de Eredivisie interesse tonen, tekende Mulder in 1965 een contract bij de Brusselse club.

Anderlecht

In Anderlecht werd Jan Mulder in het team van trainer Pierre Sinibaldi een ploeggenoot van onder meer Paul Van Himst, Jef Jurion, Wilfried Puis, Laurent Verbiest, Georges Heylens, Johan Devrindt en Pierre Hanon. Ook zijn landgenoot Gerard "Pummy" Bergholtz maakte in 1965 de overstap naar Brussel. Op 6 oktober 1965 maakte Mulder in de beker van België zijn officieel debuut voor Anderlecht. Paars-wit won toen met 16-0 van Marchienne; Mulder maakte vijf doelpunten en Johan Devrindt vestigde een clubrecord door zeven keer te scoren.
Nadien kreeg de 20-jarige aanvaller, die vooral opviel door zijn techniek en kracht, ook zijn kans in de competitie en Europa. Op 23 november 1965 maakte Mulder zijn Europees debuut. Anderlecht won toen in de 1/8 finale van de Europacup I met 9-0 van het Ierse Derry City. Mulder scoorde in dat duel een hattrick. In de volgende ronde nam Anderlecht het op tegen Real Madrid. Anderlecht won de heenwedstrijd met 1-0, maar in het Estadio Chamartin won Real Madrid mede dankzij de Franse scheidsrechter José Barberan met 4-2.[3] Barberan, wiens naam nadien in België synoniem werd voor scheidsrechterlijke dwalingen, keurde om onbegrijpelijke redenen een geldig doelpunt van Mulder af.Anderlecht sloot het seizoen uiteindelijk af als landskampioen met zeven punten voorsprong op het Sint-Truiden van trainer Raymond Goethals.
In het seizoen 1966/67 werd de Hongaar András Béres trainer. Onder hem raakte Anderlecht niet verder dan de tweede ronde van de Europacup I, maar won het in eigen land wel opnieuw de titel. Mulder had een belangrijk aandeel in de nieuwe landstitel; hij werd met twintig doelpunten de eerste Nederlandse topschutter in de Belgische competitie. Dat jaar werd hij ook voor het eerst geselecteerd voor Oranje. In het volgende seizoen raakte Anderlecht opnieuw niet verder dan de tweede ronde van het kampioenenbal. Béres werd in januari 1968 opgevolgd door hulptrainer Arnold Deraeymaeker. Onder hem werd Mulder, die wegens een blessure een groot deel van het seizoen miste, voor de derde keer op rij kampioen.
In oktober 1968 werd de Roemeense coach Norberto Höfling aangetrokken, maar ook hij sneuvelde met paars-wit al in de tweede ronde van de Europacup I. Bovendien slaagde hij er met Anderlecht niet in om de titel te verlengen. Nog voor het einde van het seizoen haalde het bestuur de Franse succescoach Pierre Sinibaldi terug. De man onder wie Mulder in 1965 zijn debuut voor Anderlecht had gemaakt, loodste Anderlecht in 1970 naar de finale van de Jaarbeursstedenbeker. Anderlecht, dat onderweg onder meer Newcastle United en Internazionale had uitgeschakeld, trof in de finale Arsenal. Paars-wit won de heenwedstrijd met 3-1 dankzij twee doelpunten van Mulder. De terugwedstrijd op Highbury werd met 3-0 verloren, waardoor Mulder naast zijn eerste Europese trofee greep.
In de competitie ging in zowel 1970 als 1971 de landstitel naar rivaal Standard. Ook in de beker presteerde paars-wit ondermaats, hoewel Mulder in het seizoen 1970/71 topschutter werd in de beker met een recordaantal van twaalf doelpunten. In de eerste ronde won Anderlecht met 14-0 van het bescheiden SV Blankenberge. Mulder scoorde toen zeven keer en evenaarde zo het clubrecord van zijn vroegere ploegmaat Devrindt.
In 1971 werd Constant Vanden Stock voorzitter van Anderlecht en trok de club met succescoach Georg Kessler een oude bekende van Mulder aan. De vroegere trainer van het Nederlands amateurelftal moest het team discipline bijbrengen. Zowel Mulder als Van Himst stoorde zich aan de eigenzinnige aanpak van Kessler, die in zijn eerste seizoen wel de dubbel veroverde. In de bekerfinale versloeg paars-wit rivaal Standard met 1-0. Ook in de competitie bleef het lang spannend. Anderlecht won op de laatste speeldag met 5-1 van Sint-Truiden, maar was afhankelijk van het resultaat van Club Brugge, dat niet mocht winnen van het Brusselse RWDM. Het stadion van Anderlecht wachtte via de radio in spanning het resultaat af van de andere wedstrijd. Brugge speelde uiteindelijk gelijk, waardoor Anderlecht kampioen werd. Mulder liet zich toen met ontbloot bovenlijf op handen dragen door de supporters.

Ajax

In 1972 besloot Mulder, die niet langer met Kessler wilde samenwerken, om terug naar Nederland te keren. Zowel Ajax als Feyenoord toonde interesse in de 28-jarige spits. Wekenlang speculeerden de Belgische en Nederlandse pers over welke topclub aan het langste eind zou trekken.[5] Uiteindelijk koos Mulder, die gecharmeerd was door voorzitter Jaap van Praag, voor Ajax.[5]
In Amsterdam maakte Mulder aanvankelijk deel uit van een talentvolle generatie bestaande uit Johan Cruijff, Johan Neeskens, Sjaak Swart, Piet Keizer, Ruud Krol, Wim Suurbier en de net als hij van WVV uit Winschoten afkomstige Arie Haan. Maar door een aanslepende knieblessure kon Mulder nooit doorbreken bij Ajax. In zijn eerste seizoen wonnen de Amsterdammers de landstitel en de Europacup I, maar kwam hij door zijn blessure amper aan spelen toe.
In het seizoen 1973/74 keerde Mulder terug in het elftal, dat na het vertrek van Cruijff naar FC Barcelona er niet meteen in slaagde om nieuwe successen te boeken. Ajax werd in de eerste ronde van de Europacup I uitgeschakeld en moest zich in de Eredivisie tevreden stellen met een derde plaats. Ook na de komst van Hans Kraay sr. in de zomer van 1974 veranderde weinig aan de situatie van Ajax. Mulder en zijn ploegmaats raakten opnieuw niet verder dan de derde plaats, terwijl ze in de UEFA Cup in de 1/8 finale werden uitgeschakeld door Juventus. Na afloop van het seizoen 1974/75 werd de 30-jarige Mulder omwille van zijn knieblessure medisch afgekeurd

2019-01-03 22:29:44

Jane Mansfield bij de Telegraaf.
Gezoend door Snip en Snap. 1957

Snip en Snap
De act werd bedacht door Jacques van Tol, die het grotendeels had overgenomen van een act van het duo Lion Solser en Piet Hesse: "Wip en Snip". Walden en Muijselaar voerden hem voor het eerst op in 1937 in een uitzending van het AVRO-radioprogramma De bonte dinsdagavondtrein. Het duo had aanvankelijk geen zin om in vrouwendracht oubollige grapjes uit te wisselen, maar op aandringen van theaterproducent René Sleeswijk wilde men voor een eenmalige radio-uitzending wel een uitzondering maken. Het optreden werd door het publiek zo leuk gevonden dat de AVRO een promotietournee bij Sleeswijk bestelde waarin Snip en Snap als publiekstrekkers moesten fungeren. Na een jaar zette Sleeswijk de tournee los van de AVRO voort onder de titel De Snip & Snap Revue. De eenmalige uitzondering werd daardoor veertig jaar lang voortgezet. Vanaf 1950 stond de revue elk jaar een aantal maanden in Theater Carré.
Gerard Walden, ook revue-artiest, typeerde de rol van zijn broer zo: "Een mannetje dat allerlei domme dingen zegt, maar toch goochemer blijkt dan die andere vent". Willy Walden in een interview: "Ik was zelf helemaal niet dol op die jurken. We vonden het eigenlijk allebei vreselijk. Maar ja, het hoorde erbij. De mensen bleven erom vragen. En dan doe je die jurk toch maar weer aan."
Lied[bewerken]
Juffrouw Snip en juffrouw Snap maakten onder andere furore met een grappig liedje:
Want Snip snapt niet wat Snap snapt.
En Snap snapt niet wat Snip snapt.
Als Snip Snap snapt en Snap snapt Snip,
verdwijnt het Snip en Snap begrip.
Maar Snip snapt niet wat Snap snapt
en Snap snapt niet wat Snip snapt.
Als Snap Snip snapt en Snip snapt Snap,
doen Snip en Snap geen klap.

Televisie
Vanaf 1961 was het duo Snip en Snap ook op televisie te zien. Tot de vele bekende artiesten die in de Snip & Snap Revue optraden behoorden Corry Brokken, Donald Jones, Teddy Scholten en Mieke Telkamp. Veel teksten werden geschreven door Max Tailleur en Jacques van Tol, en de shows werden geregisseerd door Ger Lugtenburg.

2019-06-19 20:30:20

Schrijfster Loek Kessels, beter bekend als ‘Lieve Mona’ van weekblad Story, is op 87-jarige leeftijd overleden.

Loek was decennialang de steun en toeverlaat van vele Story-lezers en -lezeressen, met de bekendste hulprubriek die een Nederlands tijdschrift ooit kende: Schrijf ’t maar aan Mona. Meer dan 300.000 brieven ontving Loek in al die jaren. Brieven die ze niet kon meenemen in haar Story-rubriek, beantwoordde ze persoonlijk.

2019-08-21 21:59:54

Johan Buziau

1894-1942

Buziau werd geboren in een muzikantenfamilie. Toen hij 6 jaar was, verhuisde het gezin naar Amsterdam en later naar Antwerpen. Van jongs af aan wilde hij theaterartiest worden, maar vond hij werk als ijsverkoper in een theater tijdens de pauze van de voorstelling. Omdat hij meer wilde, trad hij in dienst bij Circus Renz in een act met waterballetten, gevolgd door een ladder-act met een groep acrobaten. Al op zeventienjarige leeftijd werd hij voltijds artiest en trok rond met clowneske nummers waarvan zijn creatie Professor Rikiri de beroemdste werd. Met deze act zwierf hij negen jaar langs theaters in binnen- en buitenland; het leidde tot een internationale carrière. In 1914 werd hij door Henri ter Hall gevraagd te komen optreden in de revue Pas d"r op; hij werd hierdoor een revueartiest in plaats van variétéartiest. Doordat hij nu een vast inkomen kreeg, kon hij huwen met Geertruitje Hartemink en kon hij zich ook vestigen in Rijswijk. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog beperkte hij zich noodgedwongen tot Nederland, waar hij vanaf 1914 de publiekstrekker voor het Eerste Nederlandse Revue Gezelschap van Henri ter Hall werd. De Ter Hall Revue werd in 1928 opgeheven omdat de Bouwmeester"s Revue veel populairder was. Buziau trad in dienst bij Louis Bouwmeester jr. en van 1928 tot 1942 vervulde hij dezelfde rol voor de Bouwmeester"s Revue. Buziau was in de periode tussen de beide wereldoorlogen als clown onbetwist Nederlands populairste komiek. Filmbeelden van de nummers die hij op het podium deed, zijn nooit gemaakt, omdat hij bang was dat het publiek anders niet meer op zijn theateroptredens af zou komen.
Zijn humor stoelde op zijn wit geschminkte gezicht, een perfecte timing en droge opmerkingen, zonder banaal of dubbelzinnig te zijn.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden artiesten vaak ongewild de aangevers van verzetsreacties door het publiek. Van Buziau werden toespelingen verwacht en het publiek applaudisseerde dankbaar voor elk dubbelzinnig woord. Beroemd werd zijn uitspraak: "Vroeger hadden we het goed, maar nu hebben we het beter... "t Is te hopen dat we het weer goed krijgen...". In een andere voorstelling kwam Buziau met een enorm portret het podium op lopen, waarna hij zei: "Ik kreeg een portret van oom Herman, maar nou weet ik niet wat ik ermee moet doen. Ophangen of tegen de muur zetten?" (een verwijzing naar de gehate Luftwaffeleider Hermann Göring).
In mei 1942 werd Buziau, evenals vele andere populaire Nederlandse artiesten, door de Duitse bezetters gedetineerd in het gijzelaarskamp in Haaren. Hij werd alweer snel vrijgelaten: een Haagse relatie had functionarissen omgekocht. Hij trad na die tijd nooit meer op, omdat de gebeurtenissen hem te diep hadden geraakt. Wel maakte vanaf 1943 een van zijn navolgers furore met een Buziau-imitatie: Toon Hermans. Deze zou later uitgroeien tot een van de grote drie van het naoorlogse Nederlandse cabaret. Ook de andere twee leden van dat trio, Wim Sonneveld en Wim Kan, lieten later meer dan eens weten dat ze Buziau als een van hun grootste voorbeelden beschouwden.
Uit archiefonderzoek is gebleken dat Buziau analfabeet was, slechts enkele woorden kon schrijven en tijdens de crisistijd 5000 gulden per week met zijn optredens verdiende.
Geluids- en filmopnamen

Twee geluidsfragmenten uit een optreden in 1936 zijn bewaard gebleven. Op 4 oktober 2016 besteedde de radio- en televisierubriek Eenvandaag Cultuur een deel van de uitzending aan Buziau, waarin filmfragmenten van Buziau te zien zijn en ook een lange radio-opname te horen is. Voorts zijn nog twee filmfragmenten bewaard gebleven: een repetitiescène met onder anderen Siem Nieuwenhuijzen en een Polygoon Profilti-opname uit 1947 bij de 70ste verjaardag van Johan Buziau.

2020-01-16 22:01:31

Aart Staartjes (Amsterdam, 1 maart 1938 – Groningen, 12 januari 2020 was een Nederlandse acteur, regisseur, presentator, documentairemaker en schrijver.

Biografie

Staartjes werd geboren in Nieuwendam, destijds een dorp ten noorden van Amsterdam. Hij had een oudere broer en een jongere zus. Zijn vader was timmerman en aannemer.
Vanwege de oorlog ging Staartjes pas vanaf zijn achtste naar school. Eric Herfst was toen een vriend van hem. Staartjes" carrière begon in 1957, toen hij samen met Herfst en een andere vriend Ben Rowold een pantomimegezelschap vormde, genaamd Pantalone. Nadat hij de mulo had afgerond, ging hij naar de kweekschool voor onderwijzers, maar hij stapte al snel over naar de toneelschool in Amsterdam. Al tijdens zijn studie was hij in verschillende stukken op de televisie te zien. Na zijn eindexamen in 1961 speelde hij bij diverse toneelgezelschappen, zoals het Nieuw Rotterdams Toneel. Daar speelde hij in het seizoen 1968/1969 samen met Martine Crefcour en Carol van Herwijnen in Een opgemaakt bed, een toneelstuk van Dimitri Frenkel Frank.
Staartjes trouwde tweemaal. Uit zijn eerste huwelijk, dat na vijfentwintig jaar strandde, had hij drie kinderen. Hans Dorrestijn koppelde hem vervolgens aan zijn eigen ex-vrouw Hanna. Dorrestijn was getuige op hun huwelijk.
Van 2012 tot aan zijn overlijden woonde Staartjes in Dronrijp.

Overlijden
Staartjes kreeg op 10 januari 2020 met zijn brommobiel een zwaar auto-ongeluk in Leeuwarden. Hij overleed twee dagen later op 81-jarige leeftijd in het Universitair Medisch Centrum Groningen.
Hij liet zijn vrouw, drie kinderen en zijn stiefzoon achter.
Carrière
Woord voor woord
In 1967 begon Staartjes Woord voor woord, een serie bijbelvertellingen voor de jeugd, bij de IKOR, de latere Interkerkelijke Omroep Nederland (IKON).

Kinderprogramma"s
Het bekendst werd Staartjes als bedenker en samensteller van een aantal in Nederland baanbrekende kinderseries. In 1972 bedacht hij voor de VARA De Stratemakeropzeeshow. Thema van dit kinderprogramma was het doorbreken van een aantal taboes. Zo schreef Hans Dorrestijn het legendarische Poep en pies menuet. Er zou geen televisie worden gemaakt voor kinderen vanuit het gezichtspunt van volwassenen, maar kindertelevisie vanuit het gezichtspunt van het kind. Staartjes bracht een schrijverscollectief bijeen, met onder anderen Willem Wilmink, Hans Dorrestijn, Jan Riem en Karel Eykman, die teksten schreven die door Staartjes, Wieteke van Dort en Joost Prinsen werden uitgevoerd op muziek van Harry Bannink. Het tv-programma liep van 25 oktober 1972 tot 26 december 1974.
In januari 1974 bedacht hij een tv-programma voor de allerkleinsten, De film van Ome Willem met Edwin Rutten in de hoofdrol. De serie werd een groot succes en eindigde pas op 14 mei 1989. De Stratenmakeropzeeshow kreeg een vervolg met J.J. De Bom voorheen De Kindervriend dat van start ging op 3 april 1979 en Staartjes weer verenigde met het schrijverscollectief en Joost Prinsen en Wieteke van Dort. Hoewel minder taboedoorbrekend dan De Stratenmakeropzeeshow, was ook J.J. de Bom een groot succes. Op 28 mei 1981 haalde de VARA de show uit bezuinigingsoverwegingen van het scherm.
Nadat hij 1981 verantwoordelijk werd voor Sesamstraat zou Aart Staartjes nog een tv-programma voor pubers maken onder de titel Geef je ouders maar de schuld. De VPRO zond het in het seizoen 1985-1986 uit. Op 3 januari 1988 ten slotte ging Het Klokhuis van start.

Sesamstraat

Sinds 1984, na het verdwijnen van Piet Hendriks uit Sesamstraat, speelde Staartjes in het kinderprogramma mee als Meneer Aart. Hij was daar een lichtelijk norse figuur, die vaak zei dat het vroeger veel beter was, die slecht tegen verlies kan en die veel te mopperen heeft, vooral op de dieren Tommie (door hem “Tom” genoemd), Ieniemienie, Purk en Pino (“Pienjo”). Hij ging gekleed in een kostuum met een koninklijk lintje. Meneer Aart werd halverwege de jaren tachtig aan Sesamstraat toegevoegd omdat critici de serie te idyllisch en zoetsappig vonden ("een paradijs zonder slang"). Door de jaren heen werd hij duidelijk wat milder en minder de antagonist. Na het overlijden van Lex Goudsmit nam hij diens rol als opa van Sesamstraat zo"n beetje over. Meneer Aart was een van de weinigen in Sesamstraat die niet zichzelf maar een typetje speelden. Staartjes speelde ook andere rollen, zoals Fetze Alsvanouds.
Op 10 april 2009 maakte Staartjes bekend in zijn laatste seizoen in Sesamstraat te spelen. Meningsverschillen over de aanvangstijd van het programma maakten dat het van Staartjes "niet meer hoeft", zo zei hij tijdens een interview bij De Wereld Draait Door. Door een verschuiving naar een vroeger tijdstip van uitzending was het aantal kijkers namelijk flink gedaald. Op 22 april 2009 werden bijna 180.000 steunbetuigingen overhandigd aan televisiedirecteur Gerard Timmer van de NPO om het tijdstip van uitzending te verlaten naar half zeven. Staartjes continueerde daarop zijn medewerking aan Sesamstraat.

Waltz
Door zijn Meneer Aart-imago werd Staartjes weinig voor andere rollen gevraagd. In 2006 was hij te zien in de hoofdrol van circusdirecteur Willy Waltz in de serie Waltz. In latere jaren wilde hij heel erg graag de rol van Hendrik Groen spelen, maar hij werd gepasseerd. In de media bekritiseerde hij die keuze.
Intocht van Sinterklaas[bewerken]
Staartjes heeft jarenlang voor de nationale televisie Sinterklaas in Nederland verwelkomd. In 1982 deed hij dit voor het eerst, in 1983 nam hij ook de presentatie voor zijn rekening. In 1984 deed Edwin Rutten het. Vanaf 1985 deed Staartjes het weer en dan elk jaar trouw tot 2001. In de begintijd rommelde het nogal achter de schermen. Zo waren er problemen tussen Staartjes, de toenmalige hoofdpiet Piet Römer en de toenmalige Sinterklaas Adrie van Oorschot. Onder invloed van Staartjes werden veranderingen doorgevoerd. De grootste was in 1986, toen Bram van der Vlugt – een oud-klasgenoot van Staartjes bij de toneelschool – de nieuwe Sinterklaas werd, tot groot verdriet van Van Oorschot. Het tv-commentaar van Staartjes was een groot succes. Pas in 2001 stopte hij, omdat hij met pensioen ging. Zijn commentaar heeft zelfs geleid tot de oprichting van de Aart Staartjes-fanclub: op ludieke wijze werd Staartjes tijdens de intochten getrakteerd op spandoeken en gebak.

Reclame

In 2017 speelde hij mee in een reclamespot voor Eneco. Staartjes is dan bijna 79 jaar. In 1974 maakte hij reclame voor het Nederlands Zuivelbureau.
Laatste keer op televisie
In september 2019 was hij voor het laatst op tv, in Sterren op het Doek koos hij een van de drie portretten waar hij op is vastgelegd uit.

2020-01-21 22:19:54

Op 81-jarige leeftijd is kunstenaar Anton Heyboer in zijn slaap is overleden. Meer nog dan van zijn kunst is hij bekend van zijn 5 vrouwen waarmee hij samenwoonde op een boerderij in het Noord-Hollandse plaatsje Den Ilp. Anton koos nadrukkelijk voor de armoede omdat in zijn optiek de armoede stond voor het kunstenaarsschap. "Zo gauw je dit doorbreekt, verlies je je kunstenaars-ziel, je Buddha-ziel, en daarmee je zelfbevestiging. Je bent dan niet meer echt."

Anton Heyboer (Sabang, 9 februari 1924 – Den Ilp, 9 april 2005) was een Nederlands kunstschilder en etser. Hij woonde met vier vrouwen in een commune te Den Ilp (Landsmeer). De "vijfde" vrouw was zijn kunstverkoopster aan de overkant.

Levensloop

Heyboer werd geboren te Sabang, op het Indonesische eiland Pulau Weh (ten noorden van Sumatra), als zoon van een werktuigbouwkundig ingenieur. Vijf maanden later verhuisde het gezin naar Haarlem, in 1925 naar Delft, in 1929 naar Voorburg en van 1933 tot 1938 woonde het gezin op Curaçao. Daarna volgde nog een verblijf in New York. Heyboer werd opgeleid tot werktuigbouwkundige. Nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keerde het gezin terug naar Haarlem. In 1943 werd Heyboer door de Duitsers opgepakt in het kader van de Arbeitseinsatz en overgebracht naar een Durchgangslager voor buitenlandse dwangarbeiders te Prenzlauer Berg (Berlijn). Hij wist te ontsnappen en vluchtte getraumatiseerd naar Nederland, waar hij in Vinkeveen landarbeid verrichtte.

Na de Tweede Wereldoorlog vestigde hij zich te Borger en hield in 1946 in Drouwen zijn eerste tentoonstelling. In datzelfde jaar vertrok hij naar Haarlem en leerde zijn toekomstige vrouw, Elsa (Puk) Wijnands, kennen. Na een tocht van enkele maanden met Jan Kagie in 1948 door Zuid-Frankrijk keerde hij terug naar Haarlem en huwde Elsa Wijnands, met wie hij twee jaar later een zoon zou krijgen[1] maar die al in 1953 besloot van hem te scheiden. In 1951 werd Heyboer enige tijd ten gevolge van het oorlogstrauma opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis Santpoort te Bloemendaal. In september 1956 trouwde Heyboer met Erna Kramer, met wie hij zeven jaar zou samenblijven en één dochter kreeg. In 1961 vestigde hij zich in een boerderij in Den Ilp. Hij leefde daar aanvankelijk samen met drie, later met vijf vrouwen. Heyboer tekende, schilderde en etste. Zijn vrouwen zorgden voor de verkoop.

Erkenning

In de jaren zestig begon Heyboers werk internationaal onder de aandacht te komen. Hij was een trouwe klant van Galerie Espace in Haarlem en nam deel aan verscheidene tentoonstellingen. Zijn werk hing op de afdeling grafische kunst van de tentoonstellingen documenta 2 in 1959, documenta 3 in 1964 en documenta 4 in 1969, alle in het Duitse Kassel. In 1964 ontving hij de Japanse Ohara-museumprijs voor zijn werk Carnische mens en in 1964 benoemde de Accademia Fiorentina delle arti del disegno in Florence hem tot "Academico Onorario classe incisione". In 1984 verbrak Heyboer echter de banden met Espace en de gevestigde kunstwereld in het algemeen, om in afzondering in zijn huis in Den Ilp verder te werken.

Hij werkte echter niet aan zijn succes; van zijn in 1975 in het Stedelijk Museum Amsterdam tentoongestelde werken heeft hij na afloop vrijwel alles vernietigd door ze te overschilderen.

Op 10 april 2002 werd Heyboer Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Hij overleed op 9 april 2005 in zijn slaap op 81-jarige leeftijd in zijn boerderij in Den Ilp en werd enkele dagen later begraven in het nabijgelegen Purmerland.

Na zijn dood zijn ongeveer 4500 etsen opgedoken uit zijn Haarlemse periode (1950-1958), de zogenaamde collectie-Josef Santen. De echtheid hiervan kwam in 2014 ter discussie te staan. De Universiteit van Amsterdam en het Nederlands Forensisch Instituut beoordeelden in 2014 na onderzoek aan enkele etsen uit deze collectie deze als "hoogstwaarschijnlijk vals".

2020-01-21 22:22:00

Anton Heyboer-bruiden

2020-01-21 22:23:21

Dianne Hilde Marchal

Hilde Dianne Marchal (9 september 1952), is een Nederlandse zangeres die vooral bekend was in de jaren 70 en 80 als solozangeres, veelgevraagde achtergrondzangeres, muzikant uit de populaire Rainbow Train en (inmiddels ex-)vrouw van Hans Vermeulen.

In 1967 maakte ze deel uit van de groep Sandy Coast. In 1969 nam ze de single "My Man" op bij het label "Eagle", onder de naam Turquoise Marchal.

In de jaren zeventig zong Marchal in de Rainbow Train, die verder bestond uit haar toenmalige echtgenoot Hans Vermeulen, Anita Meyer, Martha Pendleton, Jan Vermeulen, Jan Rietman, Okkie Huijsdens, Hans Hollestelle en Shell Schellekens (drums). Ze hebben veel succes en scoren hits met "Heaven on earth" en "Another band". Als duidelijk wordt dat het voor (tv-)optredens bij elkaar brengen van alle bandleden vanwege alle drukke agenda"s niet te doen is, valt de band uit elkaar en gaat in een kleine, andere bezetting nog kort door als "Train" waarvoor Dianne enkel backing vocals doet en geen front-rol meer heeft.

Solo- en filmcarrière

Ondertussen heeft ze een succesvolle solocarrière opgebouwd in Nederland en Duitsland. "Sandy" wordt een hit en daarna wordt haar gevraagd de titelsong te zingen voor de Amerikaanse speelfilm "Speedtrap" waarin ze ook een acteerrol krijgt.

In de jaren tachtig brengt ze bij het grote platenlabel Carrere nog enkele solosingles uit ("It"s my time now", "Before you go", "Lay down my burden"), allemaal met hulp van Hans Vermeulen en sessiemuzikanten uit het oude Rainbow Train-wereldje, waarvan "It"s my time now" een Tipparade hitje wordt.

Succesvol achtergrondzangeres

Marchal werkt ook als achtergrondzangeres. Op veel platen van Nederlandse bodem uit de jaren zeventig en tachtig neemt ze de "backings" voor haar rekening, vaak met collega"s als Anita Meyer en Martha Pendleton, en later vaak met o.a. Jody Pijper, Julya Lo"ko, Ruth Jacott, Sandra Reemer, Pim Roos en Cees Stolk. Op meer dan 2000 nummers is ze te horen, bijvoorbeeld op megahits als "Why tell me why" van Anita Meyer, "Sajang é" van Massada en "Who"s that lady with my man" van Patricia Paay.

Tot begin jaren negentig blijft ze actief als sessiezangeres en ze vertrekt dan voor lange tijd naar Oekraïne na een televisieprogramma van Tineke de Nooij waar ze samen met Hans in Oekraïne was voor het project "Kinderen in Tsjernobyl". Ze raakte er zo bij betrokken en was zo van het land onder de indruk dat ze een jaar later naar Oekraïne terugging. Ze komt eind jaren negentig pas terug in Nederland. Ze zingt dan nog in enkele bands. Tegenwoordig zingt ze af en toe nog op festivals en neemt ze deel aan jamsessies.

Discografie solo / Rainbow Train

1977 Sandy / Simple Man - 26e plaats in de Top 40

1977 Speedtrap / American Saint - Tipparade

1978 Accompanied by (album) "(met Rainbow Train)"

1978 Heaven on earth / Here"s to the business 19e plaats in de Top 40 (met Rainbow Train)

1979 Another band / Find out - 31e plaats in de Top 40 (met Rainbow Train)

1980 Gentlemen street / Don"t fancy the singer of a Rock "n Roll Band (met Train)

1983 It"s My Time Now / Lover With Stature - Tipparade

1983 Before You Go / I"ll Tell You When

1984 Lay Down My Burden / Before You Go

Discografie als achtergrondzangeres (albums)

(Overzicht niet compleet en alleen albums zijn opgenomen in dit overzicht)

1971 Musicians Union Band - Musicians Union Band

1975 Jaap Dekker Boogie Set - Dekker plays Domino

1975 Lucifer - As we are

1975 Shakin" Stevens and the Sunsets - Manhattan melodrama

1976 Anita Meyer - In the meantime I will sing

1976 Diverse artiesten - Zing je moerstaal (boekenweekgeschenk)

1976 Hans Vermeulen - I only know my name

1976 Limousine - Limousine

1976 Peter Hollestelle - Hollestelle

1976 Piet Noordijk - Prototype

1976 Rosy & Andres - My love

1976 Sandra Reemer - Trust in me

1976 Sweet d"buster - Sweet d"buster

1977 Albert West - Memory of life

1977 Basart Records 1977 (ook solonummer - "Dixie Highway")

1977 Earth and Fire - Gate to Infinity

1977 Eric Tagg - Rendez-vous

1977 GT Walls - Rhythm & booze

1977 Patricia Paay - The lady is a champ

1977 Paul Santos - Paul Santos (Henny Vrienten)

1977 Udell - This is magic

1977 Willy Garrett - In love

1978 Vitesse - Herman Brood in Vitesse

1978 Conny Vandenbos - Over liefde

1978 Frank Vandenkloot - Heavy days are here again

1978 Rainbow Train - Accompanied by

1978 Rob de Nijs - Rob de Nijs

1979 Anita Meyer - Love you too much

1979 (Frank) Boeijen & Pennings - Boeijen & Pennings

1979 Jaap Dekker Boogie Set - Happy Hammers

1979 Lee Towers - Definitelee

1979 Margriet Markerink - Tomorrow

1979 Massada - Pukul Tifa

1979 Piet Noordijk - Just when I needed you most

1979 The Train - Gentlemen street

1980 Ais Lawalata – Ambon Manis É

1980 Bram Vermeulen - Bram Vermeulen en de toekomst

1980 Cees Smit - Oasis

1980 Duinrell

1980 Massada - Pusaka

1981 Anita Meyer - Shades of desire

1981 Lee Towers - Absolutelee

1981 Shirley Zwerus - Shirley

1982 Getty - Album

1982 Hans Vermeulen - Ik dacht het wel

1982 Ron Windsant - In good faith

1982 Benny Neyman - Leven van liefde

1983 André Hazes - Live

1983 Bright future

1983 Conny Vandenbos - Net als iedereen

1983 Danny Mirror - Heden & verleden

1983 Duinrell - De kolderzoldershow

1983 Lori Spee - Intuition

1984 Lee Towers - Gala of the year

1985 Big John Russell - Live in Europe

1985 Bonnie & Jose - Herinnering

1985 Glenda Peters - Never leave you again

1985 Toni Wille - Privilege

1985 Will Tura - Waar een will is

1985 Will Tura - In concert (incl. duet)

1986 Elly & Rikkert - Het hart op de tong

1986 Ernestine - Ernestine

1986 Nadieh - Land of ta

1987 Oscar Harris - With lots of love

1987 VOF de Kunst - Onbeperkt houdbaar

1988 Elly & Rikkert - Jarenlang

1988 In Verwondering: 14 Nederlandstalige Gospels

1988 In Verwondering Kerst

1990 Helmut Lotti - Vlaamse nachten

1991 Hans Vermeulen - Accompanied by

1992 Big John Russell - Jubilee album

1997 Elly & Rikkert - Van het water en de oever

1998 Helmut Lotti - Romantic

2015 Tim Treffers - Never trust a man in a fur coat

Trivia

Dianne Marchal was een graag geziene gast in het populaire Duitse televisieprogramma "Musikladen". In de clip van "Just a disillusion" samen met Anita Meyer in dat programma deed ze iets grappigs met een zakdoek en dat vonden de programmamakers zo grappig, dat ze daarna in bijna elke show werd gevraagd. Ze werd constant gebeld of ze nog een nieuw plaatje uit had, en was ook te zien in de laatste aflevering van het programma waarin ze samen met de presentator letterlijk het doek liet vallen.

"It"s My Time Now" was oorspronkelijk voor Rosy (van Andres) bedoeld. Ze nam het eind jaren zeventig op maar bracht het nooit uit. Vervolgens kwam de compositie van Hans Vermeulen op de comeback-LP van de Sandy Coast uit 1981 te staan, en toen nam Dianne het in 1983 op.

"Lover With Stature", de B-kant van "It"s My Time Now", was oorspronkelijk van Erik Tagg die het in 1977 opnam. Erik Tagg, van oorsprong Amerikaan, zat ook een tijd in de Rainbow Train en is in Amerika een grote naam. Dianne heeft veel met hem gewerkt in de jaren zeventig.

Marchal moest op het laatste moment voor Irene Cara invallen toen ze vanwege ziekte niet kon optreden op het Edisongala, live op televisie in 1984. Dianne zong toen "What a feeling" en gaf een geweldige show weg.

Marchal zong ook regelmatig in de televisiekoortjes voor het Nationaal- en Eurovisie Songfestival. Zo was ze bijvoorbeeld te zien bij het Nederlands Songfestival 1975 (het jaar van Teach In), in 1976 bij Sandra Reemer met "The party"s over", in 1983 bij Bernadette met "Sing me a song" en bij de nationale voorronde in 1984 bij Edward Reekers.

Marchal heeft ook zelf een aantal nummers geschreven. Zo nam Anita Meyer in 1976 haar composities "See my sadness" en "You showed me how" op. Dat laatste nummer nam Mariska Veres (Shocking Blue) in datzelfde jaar ook op als B-kant van haar hitsingle "Loving you".